ECLI:NL:RBROT:2014:6959

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juli 2014
Publicatiedatum
15 augustus 2014
Zaaknummer
C/10/361655 / HA ZA 10-2619
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 lid 2 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor tussentijds hoger beroep in complexe beleggingsadvieszaak

In deze civiele procedure tussen Kerten Investments S.A.R.L. en [gedaagde] heeft de rechtbank Rotterdam op 9 april 2014 een tussenvonnis gewezen waarin is vastgesteld dat tussen partijen een overeenkomst tot het geven van beleggingsadvies is gesloten en dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming daarvan.

[gedaagde] verzocht om toestemming voor tussentijds hoger beroep tegen dit tussenvonnis, stellende dat hij het niet eens is met de beslissingen van de rechtbank en dat een uitvoerig debat over causaal verband, toerekenbaarheid, eigen schuld en schade nog moet plaatsvinden. Kerten c.s. maakte bezwaar tegen dit verzoek, stellende dat de proceseconomie gebaat is bij een spoedig eindvonnis.

De rechtbank oordeelde dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een uitzondering op de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv Pro rechtvaardigen. De procedure is complex en omvangrijk, met cruciale beslissingen in het tussenvonnis die bepalend zijn voor het verdere verloop. Het toestaan van tussentijds hoger beroep voorkomt onnodige verdere procedures indien het tussenvonnis wordt vernietigd.

Daarom werd het verzoek van [gedaagde] toegewezen en werd bepaald dat tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld tegen het tussenvonnis van 9 april 2014, nog voordat het eindvonnis is gewezen.

Uitkomst: De rechtbank verleent toestemming voor tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis van 9 april 2014.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/361655 / HA ZA 10-2619
Vonnis van 9 juli 2014
in de zaak van
1. de rechtspersoon naar vreemd recht
KERTEN INVESTMENTS S.A.R.L.,
gevestigd te Luxemburg,
2.
[eiser2],
wonende te [woonplaats],
eisers,
advocaat mr. E.K. Ditvoorst,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bussum,
gedaagden,
advocaat mr. J.H. Lemstra.
Partijen zullen hierna Kerten c.s. en [gedaagde] genoemd worden. Waar nodig zullen eisers afzonderlijk als Kerten en [eiser2] worden aangeduid.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 9 april 2014;
  • de brief van 22 mei 2014 van mr. Lemstra;
  • de brief van 26 mei 2014 van mr. Ditvoorst
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling van het verzoek om tussentijds hoger beroep

2.1.
Bij bovengenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer beslist dat tussen Kerten en [gedaagde] een overeenkomst tot het geven van beleggingsadvies is tot stand gekomen en dat [gedaagde] in de nakoming van die overeenkomst is tekort geschoten. De rechtbank heeft voorts een instructie gegeven voor een voortgezet schriftelijk debat.
2.2.
Bij bovengenoemde brief heeft (mr. Lemstra namens) [gedaagde] verzocht om toestemming voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen dit vonnis. Daartoe heeft [gedaagde] aangevoerd, kort weergegeven, dat hij zich met de door de rechtbank genomen beslissingen niet kan verenigen, dat nog een uitvoerig debat zal moeten plaatsvinden over het causaal verband, de toerekenbaarheid, de mate van eigen schuld en de omvang van de schade en dat het al met al de proceseconomie ten goede komt indien tussentijds het oordeel van het hof kan worden verkregen over de door de rechtbank genomen beslissingen.
2.3.
Kerten c.s. heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek van [gedaagde]. In dat verband heeft zij aangevoerd dat de door [gedaagde] gestelde omstandigheden geen uitzondering op het wettelijk uitgangspunt rechtvaardigen en dat de proceseconomie gebaat is bij een spoedig eindvonnis in eerste aanleg.
2.4.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.5.
Bij de beoordeling van het verzoek van [gedaagde] moet worden voorop gesteld dat dit verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv Pro neergelegde regel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Bij het toestaan van die uitzondering dient de rechter terughoudendheid te betrachten, zo volgt uit de wetsgeschiedenis. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven een uitzondering op de hoofdregel te maken.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op het wettelijke uitgangspunt rechtvaardigen. Het gaat hier om een complexe en omvangrijke procedure, waarin bij het tussenvonnis enkele cruciale beslissingen door de rechtbank zijn genomen die bepalend zijn voor het verdere verloop van de procedure. De verwachting is gerechtvaardigd dat dit verdere verloop evenzeer complex zal zijn. In het verdere schriftelijke debat moet immers concreet en specifiek gedebatteerd worden over de afzonderlijke beleggingen, over de schade die Kerten c.s. per belegging vordert en over de specifieke normschending door [gedaagde] die tot die schade heeft geleid (zie 6.21 van het tussenvonnis). Bovendien zal het debat gevoerd moeten worden over het causaal verband, de toerekenbaarheid, de eigen schuld en de omvang van de schade (zie 6.20 van het tussenvonnis). Dit verdere debat is niet nodig indien het oordeel van de rechtbank over het bestaan van een overeenkomst tussen Kerten en [gedaagde] en over de tekortkoming van [gedaagde] niet in stand blijft. Hiertegenover staat het belang van Kerten c.s. bij een voortvarende behandeling van de zaak. Dit belang legt naar het oordeel van de rechtbank in dit specifieke geval onvoldoende gewicht in de schaal, alleen al omdat het, gelet op het financiële belang van de zaak, aannemelijk is dat een of meerdere van de partijen hoe dan ook in appel zal gaan.
2.7.
Het verzoek zal dus worden toegewezen.

3.De beslissing

De rechtbank
bepaalt dat, voordat het eindvonnis is gewezen, hoger beroep kan worden ingesteld tegen het tussenvonnis van 9 april 2014.
.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, mr. A.J.J. van Rijen en mr. J.A. Moolenburgh en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2014. [1]
1980/1354/901

Voetnoten

1.type: