Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK ZUID-HOLLAND MIDDEN U.A,
RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,
1.De procedure
- het proces-verbaal van descente en de daarin genoemde stukken;
- het tussenvonnis van 23 januari 2013;
- de brief van mr. De Boorder van 24 januari 2013;
- de brief van mr. Procee van 31 januari 2013;
- de akte van cassatie, aangetekend door interveniënten, opgemaakt op 6 februari 2013;
- het faxbericht van mr. Stolk van 8 februari 2013;
- de brief van mr. Rus-van der Velde van 20 maart 2013;
- de brief van mr. Rus-van der Velde van 21 maart 2013 (afschrift brief gericht aan de deskundigen);
- het concept-deskundigenbericht;
- de brief van mr. Rus-van der Velde van 10 mei 2013;
- het deskundigenbericht;
- het faxbericht van mr. Smits van 28 november 2013;
- de conclusie na deskundigenbericht van [tussenkomende partij] en [tussenkomende partij],
- de akte overleggen producties van [tussenkomende partij] en [tussenkomende partij];
- de notitie van de rechtbankdeskundigen voor de pleidooizitting van 2 december 2013;
- de pleitnota van BBL voor de pleidooizitting van 2 december 2013;
- de brief van mr. Smits van 16 december 2013;
- het faxbericht van mr. Smits van 19 december 2013;
- de brief van mr. Rus- van der Velde van 23 december 2013;
- de brief van mr. Smits van 10 januari 2014.
2.Het geschil en de verdere beoordeling
p.m.
€ 1.018.032,50 + p.m.
p.m.
€ 63.425,- + 2x p.m.
Voor zover op het onteigende of een gedeelte daarvan krachtens het vigerende bestemmingsplan “Groenzone” de bestemming “Recreatieve doeleinden en natuur” (soms in combinatie met de bestemming “water”) rust, dient in beginsel voorafgaand aan de waardebepaling onderzocht te worden of de invloed van deze bestemming krachtens het bepaalde in artikel 40e 0w geëlimineerd moet worden. Aangezien de betrokken bestemming als een onrendabele bestemming moet worden aangemerkt, komt alleen de eventuele eliminatie van een nadelige invloed van deze bestemming aan de orde. Voorop staat hierbij, dat met eliminatie een ander resultaat voor de schadeloosstelling moet worden bereikt dan zonder eliminatie. Is dat niet het geval, bijvoorbeeld omdat de op de vigerende bestemming en bestaand gebruik gebaseerde waarde van de grond niet verandert wanneer de invloed van de vigerende bestemming bij de waardebepaling wordt geëlimineerd, dan bestaat geen belang bij beroep op de eliminatieregel en kan het soms gecompliceerde onderzoek naar de toepasselijkheid daarvan achterwege worden gelaten. Deze redenering kan worden afgeleid uit de negen Dowato-arresten van de Hoge Raad van 25 november 2011, LJN: BS1685, BS1686, BS8872, BS8804, BS8803, BS8802, BS8800, BS8799, BS8806 en BS88805. Bij waardering op basis van de vigerende recreatieve bestemming zou het onteigende de hoogste waarde ontlenen aan het bestaande agrarische gebruik. Bij waardering met eliminatie van de
- scheppen van een aantrekkelijk woon- en leefmilieu voor mens, plant en dier;
- ontwikkeling van vitale, recreatieve en ecologische verbindingen;
- vormgeven van goede verbindingen en aantrekkelijke overgangsgebieden tussen stad en land;
- versterken van de identiteit van het gebied met water als inrichtingsmiddel;
- creëren en beheren van een duurzame water- en milieu-inrichting.”
Daarbij zijn deskundigen van oordeel dat de gronden welke zijn gesitueerd vanaf circa 10 m achter de buitenbak in westelijke richting lopend, over de twee kavels tezamen een oppervlakte uitmakende van circa 1.65.00 ha., in combinatie met gronden op de zuidelijke belending gezien lengte/ breedteverhouding op een wat positiever wijze zouden zijn te exploiteren dan de gronden ten noorden van de hal, die een oppervlakte omvatten van circa 0.61.57 ha. voor welke laatste oppervlakte de eigenaar van het glastuinbouwbedrijf op het noordelijk belendende perceel als meest gerede gegadigde zou zijn aan te merken.
Door deskundigen werd hiervoor reeds gesignaleerd dat de door [tussenkomende partij] betaalde huur als zeer (te) hoog en niet als marktconform is aan te merken, hetgeen mogelijk zijn oorsprong vindt in de vader/dochterverhouding tussen dhr. A.J. [tussenkomende partij] als directeur en via de Holding B.V. grootaandeelhouder van [tussenkomende partij] enerzijds en dochter Anita [tussenkomende partij] als eigenares van de deels aan [tussenkomende partij] verhuurde onroerende zaak anderzijds.