ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6101
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen bestuursrechters rechtbank Rotterdam wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen drie bestuursrechters van de rechtbank Rotterdam, afdeling publiekrecht, naar aanleiding van een beslissing om een getuige niet te horen tijdens een zitting op 27 februari 2013. Verzoeker stelde dat de voorzitter zonder overleg met de andere rechters en ondanks aanwezigheid van de getuige op de publieke tribune het verzoek tot getuigenverhoor afwees, wat volgens hem wijst op vooringenomenheid.
De rechtbank constateerde dat de rechters niet op de hoogte waren van de aanwezigheid van de getuige en de brief van verzoeker waarin het verzoek tot het horen van die getuige stond. De voorzitter had haar besluit om de getuige niet te horen willen corrigeren door overleg met haar collega’s, maar dit gebeurde nadat het wrakingsverzoek al was ingediend. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de rechters vooringenomen waren of dat de vrees van verzoeker objectief gerechtvaardigd was.
Ook de vermeende persoonlijke contacten tussen een van de rechters en een gemachtigde van de deelgemeente werden als onvoldoende en te gedateerd beoordeeld om vooringenomenheid aan te nemen. De rechtbank benadrukte dat een onwelgevallige beslissing op zichzelf geen reden tot wraking is, tenzij deze zo onbegrijpelijk is dat alleen vooringenomenheid als verklaring overblijft.
Gezien de omstandigheden en het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen wees de rechtbank het wrakingsverzoek af. De procedure werd gevoerd in het kader van bestuursrechtelijke beroepsprocedures tegen het dagelijks bestuur van de deelgemeente, en de wrakingskamer oordeelde dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechters niet in het geding waren.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de drie bestuursrechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.