ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2096
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzieningenrechter in declaratieprocedure advocaat-cliënt
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. P. de Bruin, voorzieningenrechter in een declaratieprocedure ex artikel 33 lid 2 WTBZ Pro, omdat de rechter de zaak inhoudelijk wilde behandelen terwijl verzoeker meent dat deze in een bodemprocedure thuishoort. Verzoeker stelde dat de rechter de procedure misbruikte en niet alle stukken had ontvangen conform het procesreglement.
De wrakingskamer heeft het verzoek onderzocht en geoordeeld dat het administratieve verzuim van de griffie om een afschrift van het verzoekschrift te verstrekken geen reden is voor een vermoeden van vooringenomenheid. De rechtbank benadrukte dat de rechter uit hoofde van haar functie wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor het tegendeel.
De rechtbank oordeelde dat de bijzondere rechtsgang volgens de WTBZ correct is gevolgd en dat de voorzieningenrechter bevoegd was om de zaak inhoudelijk te behandelen. Verwijzing naar een bodemprocedure is volgens de WTBZ niet mogelijk. Het wrakingsverzoek is daarom ongegrond verklaard en afgewezen.
De beslissing is uitgesproken door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters, waarbij de voorzitter het vonnis heeft uitgesproken tijdens een openbare zitting.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.