Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[eiser 1],
[eiser 2],
[eiser 3],
[eiser 4],
[eiser 5],
[eiser 6],
13. [eiser 13],
[eiser 23],
28. [eiser 28],
29. [eiser 29],
31. [eiser 31],
32. [eiser 32],
34. [eiser 34],
35. [eiser 35],
36. [eiser 36],
37. [eiser 37],
38. [eiser 38],
39.[eiser 39],
40. [eiser 40],
41. [eiser 41],
42. [eiser 42],
44. [eiser 44],
45. [eiser 45],
46. [eiser 46],
1.HET BESTUUR VAN DE STICHTING STICHTING BEROEPSPENSIOENFONDS LOODSEN,
1.De procedure
- de conclusie van repliek, tevens wijziging van eis;
- de conclusie van dupliek, met producties.
2.De feiten
2. De stichting verleent met inachtneming van het overige in dit Pensioenstatuut bepaalde, de volgende aanspraken:
1. Het ouderdomspensioen gaat in op de pensioendatum en wordt uitgekeerd tot het einde van de maand, waarin de gepensioneerde overlijdt.
2. Het jaarlijkse ouderdomspensioen is voor elk deelnemersjaar als bedoeld in dit Pensioenstatuut gelijk aan 1,5% van de laatstelijk vastgestelde pensioengrondslag.
3. Het totale jaarlijkse ouderdomspensioen bedraagt ten hoogste 45% van de laatstelijk vastgestelde pensioengrondslag.
4. Het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de pensioenaanspraken van deelnemers, die in het genot zijn van het functioneel leeftijds-pensioen (FLP)
1. Onder deelnemersjaren worden verstaan alle jaren, gelegen tussen de datum, waarop betrokkene deelnemer in de zin van dit reglement is geworden, en zijn pensioendatum, met dien verstande, dat de jaren tussen de FLP-datum en de pensioendatum slechts voor 50% meetellen.
2. Het overbruggingspensioen gaat in op de pensioendatum en wordt uitgekeerd tot het einde van de maand waarin de gepensioneerde de 65-jarige leeftijd bereikt, dan wel waarin hij eerder overlijdt.
3. Het jaarlijkse levenslange ouderdomspensioen is voor elk deelnemersjaar als bedoeld in artikel 3 van Pro dit Pensioenstatuut gelijk aan 2% van de voor het desbetreffend kalenderjaar vastgestelde pensioengrondslag.
4. Het jaarlijkse overbruggingspensioen is voor elk deelnemersjaar als bedoeld in artikel 3 van Pro dit Pensioenstatuut gelijk aan 0,7% van de voor het desbetreffende kalenderjaar vastgestelde pensioengrondslag.
2. Indien en voorzover vervroeging van de pensioendatum plaatsvindt, zal er - met
1. Vervroegde pensionering is mogelijk op elke eerste dag van een kalendermaand.
2. De deelnemer, die op 31 maart 2004 aanspraken heeft uit de pensioenregeling 1988, kan op de vervroegde pensioendatum kiezen voor het zelfde levenslange ouderdomspensioen, ingaande de maand, volgende op de maand waarin hij of zij 65 jaar wordt, in combinatie met een 70% nabestaandenpensioen, dat voor de deelnemer zou hebben gegolden indien hij of zij deelnemer zou zijn gebleven aan het pensioenreglement 1988. De voor inkoop van dit pensioen benodigde koopsom wordt in mindering gebracht op de op de vervroegde pensioendatum aanwezige actuariële pensioenvoorziening. De resterende actuariële waarde wordt aangewend voor een tijdelijk pensioen, ingaande de vervroegde pensioendatum en eindigend op de datum dat genoemd levenslange ouderdomspensioen aanvangt.
3. De deelnemer, die niet heeft gekozen voor de mogelijkheid volgens punt 2, krijgt op de vervroegde pensioendatum, ter compensatie van de pas op 65-jarige leeftijd ingaande AOW-uitkering en de hogere belasting- c.q. premieheffing, een vast overbruggingspensioen toegekend tot de 65-jarige leeftijd .Ongeacht de burgerlijke staat bedraagt dit vaste overbruggingspensioen 20% van de geldende pensioengrondslag (2005: €21.994,-- bruto per jaar). Dit pensioen wordt uiterlijk uitgekeerd tot de eerste dag van de maand, volgende op de maand waarin de deelnemer 65 jaar wordt.
4. De op de vervroegde pensioendatum van een deelnemer aanwezige actuariële pensioen-voorziening wordt, na aftrek van de koopsom voor het volgens punt 3. toegekende vaste overbruggingspensioen, omgezet in een levenslang gelijkblijvend ouderdomspensioen, in combinatie met een levenslang nabestaandenpensioen ter grootte van 70% van dat vervroegd ingaande ouderdomspensioen.
5. In plaats van het in punt 4. bedoelde gelijkblijvende ouderdomspensioen kan de deelnemer ook kiezen voor een tijdelijk hoger ouderdomspensioen.
6. Bij de vaststelling van de hoogte van de pensioenuitkering voor en na 65 jaar wordt uitsluitend uitgegaan van (de waarde van) het volgens punt 4. vastgestelde (gelijkblijvende) ouderdomspensioen. De variatie in deze pensioenhoogte heeft dus geen consequenties voor de bestaande aanspraak op nabestaandenpensioen ten behoeve van de partner van de deelnemer.
7. Bij de hoog-laag constructie geldt een vaste verhouding van 100:75. Andere verhoudingen zijn vooralsnog niet toegestaan.
8. De hogere uitkering volgens punt 7. geldt tot uiterlijk de eerste dag van de maand, volgende op de maand waarin de deelnemer 65 jaar wordt. Vanaf dat moment geldt de lagere uitkering. (…)”
4. De door het BPL aan de deelnemer toe te kennen extra pensioenen voor de in punt 2. vermelde inbrengwaarde (exclusief de per 1 januari 2004 toegekende voorwaardelijke toeslag van 3%) en het in punt 3 vermelde aandeel in geoormerkte FLP-kapitaal bedragen volgens het in punt 1 bedoelde schrijven d.d. 24 mei 2004 van de actuaris:
5. De pensioenaanspraken uit de per 1 januari 2002 door het BPL getroffen 30-jaarregeling blijven onverminderd gelden. Deze pensioenen bedragen per 1 april 2004 (exclusief de per 1 januari 2004 toegekende voorwaardelijke toeslag van 3%):
6. Op de in de punten 4. en 5: vermelde pensioenen zijn de bepalingen van het pensioen-reglement 2004 onverminderd van toepassing, Ook de per 1 januari 2004 door het BPL toegekende voorwaardelijke toeslag van 34 geldt voor zowel de desbetreffende in punt 4. als punt 5. vermelde pensioenen,
2. Indien het totaal aantal deelnemersjaren groter is dan 30 jaar, wordt het in artikel 8, lid 2 genoemde percentage van 1,5 vervangen door het percentage, dat gevonden wordt door het maximale ouderdomspensioen van 45% te delen door dit totaal aantal deelnemersjaren. (…)”
2. vervolgens wordt de waarde vastgesteld van de op grond van dit Pensioenstatuut en het pensioenreglement 2004 opgebouwde pensioenaanspraken, met inbegrip van de extra pensioenen als bedoeld in artikel 40 van Pro dit reglement;
3. voor het verschil van de waarde zoals bepaald onder 2 en 1, wordt een direct ingaand tijdelijk ouderdomspensioen vastgesteld ingaande op de pensioenrekendatum en uiterlijk eindigende op de eerste dag van de maand, volgende op de maand, waarin de deelnemer of gewezen deelnemer 65 jaar wordt.
3.Het geschil
4.De beoordeling
ditberoepspensioenfonds, geen deelnemersjaren.