ECLI:NL:RBROT:2012:BZ8072
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Arbeidsgeschil over opzegging arbeidsovereenkomst en loonbetaling
Eiser trad op 6 januari 2010 in dienst als matroos bij gedaagde. Op 7 oktober 2011 ontstond een discussie tussen partijen tijdens een vaart. Eiser verliet het schip op 10 oktober 2011 en beschouwde de mededeling van gedaagde dat hij van boord zou worden gezet als een ontslagaanzegging. Omdat een ontslagbrief uitbleef, verklaarde eiser zich op 17 november 2011 berustend in de beëindiging, maar niet in de wijze waarop dit gebeurde. Eiser vordert betaling van achterstallig salaris, vakantiegeld en een gefixeerde schadevergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn.
Gedaagde stelt dat eiser zelf op staande voet het werk heeft verlaten en dat hij het ontslag per brief van 27 oktober 2011 heeft bevestigd, inclusief afrekening van salaris en vakantiegeld tot 10 oktober. Gedaagde betwist dat er achterstallig loon of schadevergoeding verschuldigd is.
De kantonrechter overweegt dat voor een geldige opzegging door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist is. Gedaagde moet bewijzen dat eiser de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk heeft opgezegd. Op basis van de stukken en het verweer van eiser is dat bewijs nog niet geleverd. Daarom wordt gedaagde toegelaten tot het leveren van bewijs omtrent de opzegging.
De zaak wordt verwezen naar een rolzitting op 3 juli 2012 om gedaagde in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren. Verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden om gedaagde in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren over de opzegging van de arbeidsovereenkomst.