ECLI:NL:RBROT:2012:BY7658
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Zorgplicht bank na tradingstop bij valutaoptiehandel en schadeverdeling
In deze civiele procedure staat de zorgplicht van de bank centraal na het instellen van een tradingstop bij een klant die handelt in valutaopties in januari 1998. De rechtbank heeft een aanvullend deskundigenbericht laten opstellen om te beoordelen of een bepaalde opdracht (opdracht I) schadebeperkend was of juist risicoverhogend.
Uit het aanvullende deskundigenbericht en de toelichting blijkt dat uitvoering van opdracht I mogelijk tot een slechter financieel resultaat had geleid dan de bestaande positie. De rechtbank concludeert dat opdracht I niet schadebeperkend was. Verder oordeelt de rechtbank dat de bank niet verplicht was om op eigen initiatief de putoptie te verkopen, ondanks het advies van deskundigen. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere beslissingen en het ontbreken van een wettelijke norm in 1998 die tot verkoop verplichtte.
De rechtbank wijst de vordering van de bank toe en wijst de vordering van de gedaagden af. De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de bank toe en wijst de vorderingen van de gedaagden af, met compensatie van proceskosten.