ECLI:NL:RBROT:2012:BY7445
Rechtbank Rotterdam
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst wegens niet-woongebruik tijdens voorlopige hechtenis afgewezen
Partijen zijn in geschil over de ontbinding van een huurovereenkomst nadat huurder gedurende een lange periode in voorlopige hechtenis verbleef en daardoor niet in de woning woonde.
De verhuurder vorderde ontbinding en ontruiming wegens vermeende niet-naleving van de hoofdverblijfverplichting en het zonder toestemming ter beschikking stellen van de woning aan derden. De huurder betwistte deze tekortkomingen en stelde dat hij ondanks detentie de woning behield en de betalingsregeling was nagekomen.
De rechtbank overweegt dat het karakter van voorlopige hechtenis, met telkens beperkte verlengingen en onzekere duur, niet zonder meer leidt tot het vervallen van de hoofdverblijfverplichting. Daarnaast is onvoldoende bewijs geleverd dat de huurder de woning zonder toestemming aan derden ter beschikking heeft gesteld, ondanks inschrijving van een derde op het adres en een energieleverancier die een ander als klant registreerde.
Daarom wordt het verstekvonnis dat de huurovereenkomst ontbond vernietigd en de vordering van de verhuurder afgewezen. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van de huurder.
Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen en het verstekvonnis vernietigd.