ECLI:NL:RBROT:2012:BW0838
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Nietigheid renteverhogingsbeding bij verbreking familierelatie in geldleningsovereenkomst
Partijen sloten op 10 november 2003 een geldleningsovereenkomst waarbij een bedrag van €5.000 werd geleend met een rente van 4%. In de overeenkomst was bepaald dat de rente zou stijgen naar 10% indien de relatie tussen de gedaagde en de broer van eiser werd verbroken. Eiser vorderde betaling van de hoofdsom plus de hogere rente en buitengerechtelijke kosten.
De rechtbank stelde vast dat de renteverhoging gekoppeld aan het verbreken van een persoonlijke relatie in strijd is met de goede zeden (art. 3:40 BW Pro) en daarom nietig is. Het vooruitzicht van financieel nadeel bij een persoonlijke keuze achtte de rechtbank onaanvaardbaar, mede omdat de gedaagde het verbreken van die relatie niet alleen in haar macht had. Daarnaast was onduidelijk waarom de lening alleen door gedaagde was aangegaan en niet mede door de broer van eiser.
Hoewel de hogere rente vanwege wanbetaling niet werd betwist, vond de rechtbank de rente in verhouding tot de hoofdsom extreem hoog en achtte zij matiging op grond van art. 6:248 lid 2 BW Pro mogelijk. De rechtbank gelastte een comparitie om nadere informatie te verkrijgen en hield verdere beslissing aan.
Uitkomst: Renteverhogingsbeding gekoppeld aan verbreking familierelatie is nietig; matiging van rente wordt overwogen en verdere procedure gelast.