ECLI:NL:RBROT:2012:BW0537
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling op grond van kredietovereenkomst met betwiste handtekening en onverschuldigde betaling
In deze zaak vordert Interbank betaling van een vermeende geldlening van €9.564,25 plus rente van gedaagde. Interbank baseert haar vordering primair op een kredietovereenkomst van 28 januari 2009 waarbij €8.050 is overgemaakt aan gedaagde. Gedaagde betwist de echtheid van haar handtekening onder de overeenkomst en stelt dat haar partner de overeenkomst frauduleus heeft ondertekend.
De rechtbank overweegt dat Interbank de bewijslast draagt voor het bestaan van de overeenkomst, maar geen bewijs heeft geleverd dat de handtekening authentiek is. Gedaagde heeft voldoende gemotiveerd betwist dat zij de overeenkomst heeft gesloten. Hierdoor is de vordering op grond van overeenkomst niet toewijsbaar.
Interbank stelt subsidiair een vordering op grond van onverschuldigde betaling. De rechtbank erkent dat Interbank zonder rechtsgrond heeft betaald, waardoor gedaagde in beginsel moet terugbetalen. Gedaagde voert verweer op grond van goede trouw (art. 6:204 BW Pro), stellende dat zij niet wist en redelijkerwijs niet hoefde te weten dat het geld frauduleus was gestort. De rechtbank acht dit verweer relevant en geeft gedaagde gelegenheid om haar goede trouw nader te onderbouwen.
Indien gedaagde te goeder trouw blijkt, wordt de vordering afgewezen. Bij ontbreken van goede trouw is de vordering toewijsbaar. De rechtbank houdt de zaak aan voor nadere bewijslevering en reactie van partijen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering op grond van overeenkomst af en houdt de zaak aan voor nader bewijs over de goede trouw van gedaagde bij onverschuldigde betaling.