ECLI:NL:RBROT:2011:BR4152
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- T. Damsteegt
- E.F.C. Francken
- J.L.S.M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dwangsom en informatieverzoek AFM inzake kredietaanbieder zonder vergunning
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) had eiser gelast binnen tien werkdagen gedetailleerde informatie te verstrekken over zijn kredietactiviteiten en ontvangen beloningen, onder verbeurte van een dwangsom. Eiser weigerde deze informatie te verstrekken, waarop AFM overging tot invordering van de dwangsom. Eiser stelde dat hij geen kennis had kunnen nemen van de verzoeken en dat de vragen niet te beantwoorden waren, maar de rechtbank achtte deze stellingen ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank overwoog dat AFM op grond van de Wet op het financieel toezicht en de Algemene wet bestuursrecht bevoegd was om deze informatie te vorderen, omdat er redelijke gronden waren om te vermoeden dat eiser zonder vergunning krediet aanbood. Dit vermoeden werd onder meer gebaseerd op een advertentie en bankafschriften met relevante omschrijvingen. De rechtbank verwierp het verweer van eiser en oordeelde dat de dwangsom in redelijke verhouding stond tot het geschonden belang.
De rechtbank concludeerde dat AFM terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid en dat de dwangsom terecht is opgelegd en ingevorderd. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitkomst: Het beroep tegen het dwangsombesluit van AFM wordt ongegrond verklaard.