ECLI:NL:RBROT:2011:BR3270
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betaling achterstallig loon en loon tijdens ziekte na ontslag bij arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht
Eiser was sinds 2006 in dienst bij gedaagde op basis van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (MUP-overeenkomst). Hij werkte gemiddeld 47,67 uur per maand in de laatste drie maanden en wilde zijn werkzaamheden beperken tot het weekend vanwege studie. In januari 2010 diende eiser per e-mail ontslag in, omdat hij meer vastigheid zocht. Later beriep hij zich op dwaling, omdat hij dacht een oproepcontract te hebben en geen aanspraak op werk kon maken.
Eiser vordert betaling van achterstallig loon, loon tijdens ziekte, overwerk en wettelijke verhogingen. Gedaagde betwist de aanspraken en stelt onder meer dat eiser niet beschikbaar was en dat administratieve werkzaamheden onder de chauffeursfunctie vallen. De kantonrechter stelt vast dat de arbeidsovereenkomst vanaf januari 2007 een omvang van 47,67 uur per maand heeft en dat eiser zich beschikbaar moest houden voor deze uren.
De rechtbank laat eiser toe bewijs te leveren dat hij zijn beschikbaarheid tot de weekenden mocht beperken, zoals hij stelt. De vordering over de periode na ontslag wordt afgewezen omdat opzegging niet vernietigbaar is op grond van dwaling. Voor het ziekengeld geldt dat eiser onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat hij minder uren werkte door ziekte. Overwerk wordt deels toegewezen voor werkzaamheden die niet tijdens werktijd konden worden verricht, zoals het afstorten van geld.
De zaak wordt verwezen naar een openbare terechtzitting voor bewijslevering door eiser, waarbij hij ook getuigen kan oproepen. Alle overige beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: Eiser wordt toegelaten tot bewijslevering over beschikbaarheid en overwerk deels toegewezen; overige beslissingen aangehouden.