ECLI:NL:RBROT:2011:BQ4299
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vergunningverlening voor offshore windturbinepark Q10 met beoordeling scheepvaartveiligheid en visserij
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep tegen de vergunningverlening door de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat voor het offshore windturbinepark Q10, bestaande uit maximaal 51 turbines. Eisers, waaronder het Productschap Vis en de gemeente Amsterdam, stelden bezwaren in verband met scheepvaartveiligheid, visserij en milieueffecten.
De rechtbank oordeelde dat de vergunningverlening zorgvuldig is voorbereid, met inachtneming van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr), Beleidsregels en het Integraal Beheerplan Noordzee 2015 (IBN 2015). De berekeningen en simulaties van de benodigde vaarwegbreedte en veiligheidszones rondom het park voldeden aan internationale normen en waarborgen een veilig en doelmatig gebruik van de Noordzee door derden.
Ten aanzien van visserij en ecologie concludeerde de rechtbank dat de milieueffectrapportage en passende beoordeling voldoende onderbouwd zijn. Het voorzorgsbeginsel is toegepast door beperkingen aan heiwerkzaamheden en monitoring. Er is geen sprake van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of visbestanden. De mogelijkheid tot nadeelcompensatie is aanwezig via de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999.
De beroepen van eisers werden ongegrond verklaard, waarbij het beroep van de directeur van het Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied niet-ontvankelijk werd verklaard. De vergunning voor Q10 blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De beroepen tegen de vergunningverlening voor windturbinepark Q10 worden ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.