ECLI:NL:RBROT:2011:BP9718
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Schorsing tenuitvoerlegging teruggeleidingsbeschikking kinderontvoering in kort geding
In deze zaak staat de vraag centraal of een minderjarige, die door de vader zonder toestemming van de moeder uit Frankrijk naar Nederland is meegenomen, illegaal is ontvoerd in de zin van artikel 3 van Pro het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) 1980. De rechtbank en het gerechtshof oordeelden dat de vader de minderjarige ongeoorloofd heeft overgebracht en gelastten teruggeleiding naar Frankrijk. De vader stelde cassatie in bij de Hoge Raad en verzocht de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van de teruggeleidingsbeschikking te schorsen.
De voorzieningenrechter overwoog dat de tenuitvoerlegging slechts geschorst kan worden bij een duidelijke juridische of feitelijke misslag of bij een noodtoestand. De vader voerde aan dat het gerechtshof het belang van het kind onvoldoende heeft meegewogen, met name de affectieve band met Nederland en de gezamenlijke uitoefening van het gezag volgens Frans recht. Ook stelde hij dat de Staat misbruik maakt van bevoegdheid door de beschikking uit te voeren voordat de Hoge Raad heeft beslist.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het belang van het kind voorop staat, mede gelet op de bepalingen van het EVRM en de langdurige verblijfplaats van het kind in Nederland. Gezien de juridische onzekerheden over het gezag en de verblijfplaats en het risico op onaanvaardbare gevolgen bij onmiddellijke teruggeleiding, werd de tenuitvoerlegging van de beschikking geschorst tot de Hoge Raad uitspraak doet. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de tenuitvoerlegging van de teruggeleidingsbeschikking totdat de Hoge Raad heeft beslist.