ECLI:NL:RBROT:2011:BP8961
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vergunningverlening voor windturbinepark Brown Ridge Oost met toepassing voorzorgsbeginsel en toetsing visserijbelangen
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep tegen de vergunning verleend door de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat voor het oprichten, in stand houden en verwijderen van het windturbinepark Brown Ridge Oost, bestaande uit 94 turbines in de exclusieve economische zone (EEZ).
Eiser stelde onder meer dat de vergunning in strijd was met het voorzorgsbeginsel, dat de effecten op vis en vislarven onvoldoende waren onderzocht en dat de vergunning nadelige gevolgen zou hebben voor de visserij zonder adequate schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris het voorzorgsbeginsel voldoende heeft toegepast, onder meer door het hanteren van worst case scenario’s in de milieueffectrapportage (MER) en passende maatregelen zoals het beperken van heiwerkzaamheden in bepaalde perioden.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat de effecten van het windpark op de visserij niet significant zijn, mede door het beperkte ruimtebeslag van het park (0,09% van het Nederlands Continentaal Plat) en het refugiumeffect. Ook is een monitorings- en evaluatieprogramma (MEP) voorgeschreven om de vispopulaties te volgen. De kans op aanvaringen met windturbines is door eiser onvoldoende onderbouwd en door verweerder adequaat weerlegd.
De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde dat de vergunning terecht is verleend, waarbij de belangen van natuur, milieu en visserij zijn afgewogen en beschermd. Tevens is aangegeven dat schadevergoeding mogelijk is via de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 24 maart 2011.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunningverlening voor het windturbinepark Brown Ridge Oost wordt ongegrond verklaard.