ECLI:NL:RBROT:2011:BP8958
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard beroep tegen vergunning voor offshore windturbinepark EP Offshore NL 1
De rechtbank Rotterdam heeft op 24 maart 2011 uitspraak gedaan in het geschil over de Wbr-vergunning verleend door de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat voor het offshore windturbinepark EP Offshore NL 1 met 55 turbines. Eiser, het Productschap Vis, stelde dat de vergunning onterecht was verleend vanwege mogelijke negatieve effecten op de visserij, vislarven en scheepvaartveiligheid, en dat het voorzorgsbeginsel onvoldoende was toegepast.
De rechtbank overwoog dat de vergunningverlening zorgvuldig is voorbereid, inclusief een milieueffectrapportage (MER) en passende beoordeling, waarbij het voorzorgsbeginsel is gehanteerd. Uit de onderzoeken blijkt geen significant negatief effect op visserij of Natura 2000-gebieden. De voorzorgsmaatregelen omvatten onder meer beperkingen op heiwerkzaamheden en monitoring via een Monitorings- en Evaluatieprogramma (MEP).
De rechtbank wees de stellingen van eiser af dat de vergunning in strijd zou zijn met beleidsregels of dat het risico op aanvaringen met turbines onaanvaardbaar hoog zou zijn. Ook werd het beroep op de Planologische Kernbeslissing-Plus Near Shore Windparken verworpen omdat deze niet op de exclusieve economische zone van toepassing is. De rechtbank concludeerde dat de vergunning terecht is verleend en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de verleende Wbr-vergunning voor het offshore windturbinepark EP Offshore NL 1 wordt ongegrond verklaard.