ECLI:NL:RBROT:2011:BP7938
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding depositogarantiestelsel bij en/of-rekening na faillissement DSB Bank
Eisers, een echtpaar, maakten bezwaar tegen de door De Nederlandsche Bank (DNB) toegekende vergoedingen uit het depositogarantiestelsel na het faillissement van DSB Bank. De vrouw ontving ongeveer € 50.000,- terwijl de man het maximumbedrag van € 100.000,- kreeg, omdat er sprake was van twee rekeningen: één op naam van de man en één gezamenlijke en/of-rekening.
DNB ging uit van een evenredige verdeling van het saldo op de en/of-rekening conform artikel 26 lid 5 van Pro het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (Bbpm). De rechtbank oordeelde dat DNB de relevante artikelen 19 en 26 Bbpm correct had toegepast en dat de vrouw zich niet kon beroepen op onjuiste voorlichting door DSB, aangezien vorderingen uit onrechtmatige daad niet onder het vangnet van het depositogarantiestelsel vallen.
Het beroep van de vrouw werd ongegrond verklaard. Het beroep van de man werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen rechtstreeks belang had bij het besluit dat aan de vrouw was gericht. De rechtbank vond geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en bevestigde de rechtmatigheid van de besluiten van DNB.
Uitkomst: Het beroep van de vrouw wordt ongegrond verklaard en het beroep van de man niet-ontvankelijk wegens gebrek aan rechtstreeks belang.