ECLI:NL:RBROT:2009:BJ3267
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen dwangbevelen bestuursdwangkosten en verhaal op rechtsopvolger
De zaak betreft een verzet van eiser tegen door de gemeente Rotterdam uitgevaardigde dwangbevelen ter invordering van bestuursdwangkosten die door de rechtsvoorganger van eiser waren veroorzaakt. Eiser kocht het pand in 2005 en werd geconfronteerd met aanschrijvingen en kosten verbonden aan bestuursdwang die de gemeente had laten uitvoeren.
De rechtbank oordeelde dat de vordering van de gemeente niet verjaard was omdat de verjaring was gestuit door de betekening van dwangbevelen aan de rechtsvoorganger in 2001. De kosten konden redelijkerwijs op eiser als rechtsopvolger worden verhaald, met uitzondering van een deel van de kosten die betrekking hadden op gemeenschappelijke ruimten van meerdere panden, waarvan slechts vijftig procent aan eiser mocht worden toegerekend.
Verder werd geoordeeld dat de gemeente haar zorgplicht had nageleefd, dat de kosten marktconform en redelijk waren, en dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de werkzaamheden ondeugdelijk waren uitgevoerd. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten en het dwangbevel werd gedeeltelijk buiten effect gesteld.
Uitkomst: Het verzet wordt deels gegrond verklaard en het dwangbevel wordt buiten effect gesteld voor het bedrag boven € 31.521,81, met veroordeling van eiser in de proceskosten.