ECLI:NL:RBROT:2009:BI6160
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Partiële vernietiging vaststellingsovereenkomst wegens dwaling en toekenning hogere vergoeding werknemer
Een werknemer trad in 1988 in dienst en sloot in januari 2008 een vaststellingsovereenkomst waarin zij vrijwillig uit dienst trad met een vergoeding van drie bruto-maandsalarissen. Zij was niet op de hoogte dat het gesprek over beëindiging ging en kreeg geen bedenktijd of advies. Na ondertekening werkte zij niet meer, maar kwam zij terug op de vergoeding en stelde dat zij had gedwaald.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer terecht een beroep deed op dwaling omdat zij niet wist dat het gesprek over beëindiging ging en zij geen bedenktijd had. De werkgever had zich niet als goed werkgever gedragen. Hoewel de vaststellingsovereenkomst in beginsel geldig is, kan deze in dit geval worden aangetast op grond van dwaling.
De kantonrechter wees partiële vernietiging af maar paste artikel 6:230 BW Pro toe om de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen. De werknemer kreeg een hogere vergoeding toegekend, mede gelet op het langdurige dienstverband, het ontbreken van alternatief werk en het niet in acht nemen van de opzegtermijn. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De werknemer ontvangt een hogere vergoeding wegens dwaling en de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst worden gewijzigd.