ECLI:NL:RBROT:2008:BD8558
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing boeteoplegging bouwfraude GWW-sector en versnelde procedure
De zaak betreft een bestuursrechtelijk beroep van Van den Hul & Peters B.V. tegen een boetebesluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) wegens overtreding van artikel 6 Mededingingswet Pro en artikel 81 EG Pro-Verdrag in de grond-, weg- en waterbouwsector (GWW). Het boetebesluit is onderdeel van de grootschalige 'schoon-schip-operatie' waarbij 481 bouwbedrijven werden aangesproken op kartelvorming.
Eiseres maakte bezwaar tegen de boete en stelde onder meer dat de voorwaarden van de versnelde procedure onrechtmatig waren gewijzigd, dat de boetegrondslag (aanbestedingsomzet 2001) niet representatief was, en dat de NMa onvoldoende rekening had gehouden met haar individuele betrokkenheid en financiële situatie. Tevens werd aangevoerd dat de NMa onterecht clementiekortingen had verleend aan andere ondernemingen en dat zij daardoor in een slechtere concurrentiepositie verkeerde.
De rechtbank oordeelde dat deelname aan de versnelde procedure een vrijwillige keuze was en dat de rechten van verdediging niet waren geschonden. De feiten en deelname aan het kartel werden geacht vast te staan door erkenning in de versnelde procedure. De keuze voor de boetegrondslag en het ijkjaar 2001 was niet onredelijk, maar de NMa had de ijkjaarcorrectie onvoldoende gemotiveerd in het bestreden besluit, wat strijdig was met artikel 7:12 Awb Pro. De rechtbank vernietigde daarom het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel werd verworpen. Ook werd geoordeeld dat het beroep op hardheid onvoldoende was onderbouwd. De rechtbank veroordeelde de NMa tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de ijkjaarcorrectie, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.