ECLI:NL:RBROT:2008:BD8461
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige ondertoezichtstelling van een ongeboren kind afgewezen voor uithuisplaatsing
De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 18 juli 2008 een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een ongeboren kind, voorafgegaan door een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing vanaf de geboorte.
De kinderrechter oordeelt dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is het ongeboren kind voorlopig onder toezicht te stellen voor maximaal drie maanden, omdat het verhoor van overige belanghebbenden niet kan worden afgewacht zonder ernstig gevaar voor het kind.
Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen, omdat de wet geen mogelijkheid biedt voor een voorwaardelijke machtiging gebaseerd op een toekomstige en nog onzekere gebeurtenis zoals de geboorte. De noodzaak moet beoordeeld worden op het moment van de beslissing.
De rechtbank bepaalt dat het verhoor van de raad en belanghebbenden zal plaatsvinden op 1 augustus 2008, waarna verdere beslissingen worden genomen.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind wordt afgewezen, maar het kind wordt voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden.