ECLI:NL:RBROT:2007:BB3494
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Internationale rechtsmacht en bestuurdersaansprakelijkheid bij onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatige daad
De zaak betreft een vordering van Fairmount Heavy Transport N.V. (FHT) tegen een Noorse bestuurder en diens vennootschap Capricorn Offshore AS wegens onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatige daad. FHT stelt dat de bestuurder zich heeft verrijkt ten koste van de vennootschap door commissies en vergoedingen te bedingen zonder toestemming van aandeelhouders en Raad van Commissarissen.
De rechtbank onderzoekt de internationale rechtsmacht en oordeelt dat op grond van artikel 5 sub Pro 1 EVEX de verbintenis tot behoorlijke taakvervulling van een bestuurder als een verbintenis uit overeenkomst kan worden beschouwd, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is. De vorderingen tegen Capricorn vallen onder artikel 5 sub Pro 3 EVEX en de rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat FHT onvoldoende heeft onderbouwd dat de bestuurder statutair benoemd was, waardoor de primaire vordering op grond van artikel 2:9 BW Pro niet volledig kan worden toegewezen. De rechtbank geeft FHT gelegenheid haar stellingen te preciseren. De vorderingen wegens onrechtmatige daad worden eveneens aangehouden voor nadere uitwerking. De vordering tot verklaring voor recht wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.
De rechtbank wijst de vorderingen tegen Capricorn af wegens gebrek aan rechtsmacht en verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vordering wegens onjuiste beschuldigingen jegens de Noorse beurs. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor nadere precisering en bewijslevering.
Uitkomst: Rechtbank verklaart zich bevoegd voor vorderingen tegen bestuurder, onbevoegd voor vorderingen tegen Capricorn, en wijst vorderingen deels toe en deels aan met nadere uitwerking.