ECLI:NL:RBROT:2006:AY4939
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- D.C.J. Peeck
- P.G.J. van den Berg
- A.W. Schep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toepassing van artikel 26a WOZ en rechtsbescherming bij waardeverschillen
De zaak betreft een geschil over de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak te Rotterdam, waarbij eiser betwist dat de waarde op € 99.000 moet worden vastgesteld en stelt dat de waarde € 95.000 zou moeten zijn. De kern van het geschil is of artikel 26a van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) buiten toepassing moet blijven wegens strijd met internationale verdragsbepalingen en algemene beginselen van behoorlijke wetgeving.
De rechtbank stelt vast dat artikel 26a WOZ bepaalt dat bij een vastgestelde waarde tussen nihil en € 200.000, indien de waarde niet meer dan vijf procent afwijkt van de waarde in het economisch verkeer, deze vastgestelde waarde als juist wordt beschouwd. Dit leidt tot een beperking van de rechtsbescherming omdat belanghebbenden zich niet met succes kunnen verzetten tegen een te hoge waarde binnen deze marge.
Hoewel dit leidt tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen, oordeelt de rechtbank dat hiervoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, namelijk het verminderen van kosten van bezwaar- en beroepsprocedures over geringe waardeverschillen. De rechtbank verwerpt verder de stelling van eiser dat sprake is van willekeur of onzorgvuldige wetsvoorbereiding. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar wegens onvoldoende motivering, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.