ECLI:NL:RBROT:2004:AO7010
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat nummerportering niet verplicht is voor het einde van de overeenkomst
De zaak betreft een geschil tussen KPN Mobile en de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (verweerder) over de verplichting tot nummerportering. Verweerder had KPN Mobile een last onder dwangsom opgelegd omdat zij weigerde mee te werken aan nummerportering zolang de contractuele relatie met de eindgebruiker nog niet was beëindigd. KPN Mobile stelde dat nummerportering pas verplicht is na het feitelijke einde van de overeenkomst, conform artikel 4.10 van de Telecommunicatiewet.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de wetgever met de toevoeging "bij beëindiging van de overeenkomst" in artikel 4.10 van de Telecommunicatiewet duidelijk heeft bedoeld dat nummerportering pas bij of kort na het einde van de overeenkomst moet plaatsvinden. De beleidsregels van verweerder die nummerportering loskoppelen van contractuele verplichtingen zijn daarmee in strijd met de wet. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit van 11 november 2003.
Verder is bepaald dat het onderzoek naar vergoeding van schade wordt heropend en dat verweerder de proceskosten van verzoekster moet vergoeden. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De uitspraak benadrukt dat het aan de wetgever is om duidelijkheid te scheppen over de reikwijdte van nummerportering en contractuele voorwaarden.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.