ECLI:NL:RBROE:2003:AO2162
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Toepassing fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst
Eiser was sinds 1987 werkzaam bij een bakkerij en werd in 2001 overgenomen door een nieuwe werkgever. Na arbeidsongeschiktheid wegens psychische klachten en een conflict met de werkgever, werd de arbeidsovereenkomst in januari 2003 ontbonden door de kantonrechter, die een vergoeding toekende aan eiser. Het UWV weigerde echter een WW-uitkering toe te kennen over de fictieve opzegtermijn van 18 december 2002 tot 31 januari 2003, omdat de vergoeding die eiser ontving voldoende zou zijn om die periode te overbruggen.
Eiser stelde dat hij vanaf 18 december 2002 geen loon ontving omdat hij niet kon hervatten bij de werkgever, waardoor toepassing van de fictieve opzegtermijn onjuist was. De rechtbank oordeelde dat de wetstekst en jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep aangeven dat alleen daadwerkelijk ontvangen loon tijdens de fictieve opzegtermijn in aanmerking mag worden genomen. Omdat eiser geen loon ontving vanaf die datum, was het besluit van het UWV onjuist.
De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen rekening houdend met deze overwegingen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd omdat de fictieve opzegtermijn onjuist werd toegepast; een nieuw besluit moet worden genomen.