ECLI:NL:RBROE:2001:AE4247
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding afgewezen
Eiseres ontving vanaf 11 juni 1997 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet. Verweerder stelde dat eiseres en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden, wat niet was opgegeven, en herzag daarom de uitkering met terugwerkende kracht van 1 juli 1997 tot en met 30 september 1999. Eiseres betwistte dit, stellende dat haar partner geen vaste woon- of verblijfplaats in haar woning had en dat administratieve verwevenheid niet gelijkstaat aan gezamenlijke huishouding.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende feiten had gesteld om aan te tonen dat sprake was van gezamenlijke huishouding. De aanwezigheid van kleding en het gebruik van het adres van eiseres voor administratieve doeleinden waren onvoldoende bewijs. Ook het ontbreken van een vaste verblijfplaats van de partner bij eiseres werd niet aannemelijk gemaakt.
Verder werd geoordeeld dat de herziening voor de periode vóór 1 juli 1997 onrechtmatig was omdat het oude regime van de ABW geen terugwerkende kracht toestaat bij rechtens onaantastbare besluiten. De rechtbank vernietigde het besluit en beval verweerder om opnieuw te beslissen op het bezwaar, met inachtneming van de uitspraak.
Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiseres. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening van de bijstandsuitkering wordt vernietigd.