ECLI:NL:RBOVE:2026:996

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
C/08/343653 / KG ZA 26-10
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 1 BWArt. 254 lid 1 RvArt. 257 RvArt. 7 lid 1 sub b Brussel I-bisArt. 10:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering importeur op basis van niet-geschreven distributieovereenkomst na opzegging

Tussen partijen bestond sinds 1993 een niet op schrift gestelde distributieovereenkomst waarbij eiser exclusief importeur was van door gedaagde gemaakte wijnen voor Nederland. Gedaagde zegde de overeenkomst op 18 juli 2024 op, met een aanbod van een laatste allocatie op basis van de oogst van 2022.

Eiser vorderde in kort geding dat gedaagde allocatiebrieven zou sturen voor de oogsten van 2023 en 2024, dan wel een schadevergoeding zou betalen. Eiser stelde dat de opzegging niet rechtsgeldig was en dat de opzegtermijn de allocaties 2023 en 2024 moest omvatten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar was zonder dat een zwaarwegende grond vereist was, en dat gedaagde een redelijke opzegtermijn van circa twee jaar had gehanteerd. Het standpunt van eiser dat de opzegging onduidelijk was en dat een langere termijn of vergoeding verschuldigd was, werd verworpen.

De vorderingen werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak betreft een voorlopig oordeel in kort geding en is niet bindend voor de bodemrechter.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/343653 / KG ZA 26-10
Vonnis in kort geding van 24 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J.W. Bitter,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[gedaagde],
gevestigd in [vestigingsplaats 2] (Frankrijk),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. M.H. de Boer en mr. M. Gerrits.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 januari 2026, met 22 producties;
- de conclusie van antwoord, ingediend op 11 februari 2026, met 11 producties;
- de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [eiser], voorgedragen door mr. Bitter tijdens de mondelinge behandeling;
- de pleitnota van [gedaagde], voorgedragen door mr. Gerrits tijdens de mondelinge behandeling;

2.De feiten

2.1.
Tussen (rechtsvoorgangers van) [eiser] en [gedaagde] bestaat sinds 1993 een – niet op schrift gestelde – distributieovereenkomst (hierna: ‘de overeenkomst’). Op grond van de overeenkomst is [eiser] de exclusieve importeur van door [gedaagde] gemaakte wijnen die bestemd zijn voor de Nederlandse markt. [eiser] importeert de wijnen niet alleen, maar is ook één de partijen die de wijnen verkoopt in Nederland.
2.2.
Bij brief van 18 juli 2024 heeft [gedaagde] de distributieovereenkomst opgezegd. In die brief staat onder meer het volgende:
“C’est avec un sentiment de tristesse que nous vous écrivons aujourd’hui. Il n’est en effet pas anodin de devoir metrre fin à une longue relation professionnelle qui était devenue, au fil du temps, amicale.
Malgré tout, au cours de ces 31 années où vous a été confié la distribution en Hollande des vins du Domaine, les dossiers problématiques ont été nombreux et souvent difficiles et longs à gérer.
Apprendre par des tiers l’entrée de votre société dans le groupe E-Luscious est une deception que nous pourrions qualifier de trahison au regard de ces longues années de collaboration et de confiance.
Nous comprenons bien, suite à l’entretien que nous avons eu et à la lecture des documents que vous nous avez laissés, l’intérêt pour [eiser] de l’accord conclu avec [bedrijf] et E-Luscious. Cet accord nous semble par contre divergent et même opposé à la philosophie et aux objectifs qui sont les nôtres dans la distribution des vins du Domaine.
(…)
Le changement de statut de votre société remet en question ces conditions et présente un risque que nous choisissons de ne pas prendre.
(…)
Par respect pour l’historique de notre relation et pour vous permettre de vous réorganiser, nous vous proposerons une dernière allocation en vins du Domaine du millésime 2022, dans les proportions habituelles. Nous nous considérons ensuite libres de tout engagement envers vous.”
2.3.
In de hierboven geciteerde brief heeft [gedaagde] (ook en onder meer) aangegeven dat zij, in het licht van de langlopende relatie tussen partijen, de zogeheten allocatie [1] op basis van de druivenoogst van 2022 (hierna: ‘Allocatie 2022’) nog aan [eiser] zal aanbieden, maar dat zij zich daarna vrij acht van verdere verplichtingen ten opzichte van [eiser].
2.4.
De Allocatie 2022 is op 27 januari 2025 door [gedaagde] aan [eiser] aangeboden.
2.5.
Bij e-mail van 12 april 2025 heeft [eiser] de ontvangst van de opzeggingsbrief van 18 juli 2024 schriftelijk bevestigd. [eiser] heeft daarbij tevens vermeld dat zij de Allocatie 2022 accepteert.
2.6.
Op 14 oktober 2025 heeft [eiser] de koopsom voor de wijnen gebaseerd op Allocatie 2022 aan [gedaagde] betaald.
2.7.
Op 30 oktober 2025 heeft [eiser] de wijnen gebaseerd op Allocatie 2022 laten ophalen op het domein van [gedaagde].
2.8.
Bij brief van 12 december 2025 heeft [eiser] zich, bij monde van haar advocaat, op het standpunt gesteld dat de opzegging van 18 juli 2024 niet rechtsgeldig was.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – weergeven het volgende:
primair:
( i) een veroordeling van [gedaagde] om uiterlijk op 27 februari 2026 aan [eiser] een allocatiebrief te sturen gebaseerd op de oogst van 2023 (hierna: ‘Allocatie 2023’), op straffe van een dwangsom;
( ii) een veroordeling van [gedaagde] om uiterlijk 30 november 2026 aan [eiser] een allocatiebrief te sturen gebaseerd op de oogst van 2024 (hierna: ‘Allocatie 2024’), op straffe van een dwangsom;
subsidiair:een veroordeling van [gedaagde] om uiterlijk op 27 februari 2026 aan [eiser] een bedrag van € 2.700.000,00 te betalen, te vermeerderen met rente.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het standpunt ten grondslag dat de opzegging van [gedaagde] van 18 juli 2024 niet rechtsgeldig was en, als gevolg daarvan, niet het daarmee beoogde rechtsgevolg heeft gehad. Gelet daarop lopen volgens [eiser] de verplichtingen uit de overeenkomst door, in ieder geval voor wat betreft de Allocaties 2023 en 2024. Voor zover de opzegging van 18 juli 2024 wel leidt tot een beëindiging van de overeenkomst, betoogt [eiser] dat de door [gedaagde] in acht te nemen opzegtermijn in ieder geval de Allocaties 2023 en 2024 moet omvatten. Indien de primaire vordering wordt afgewezen, betoogt [eiser] subsidiair dat zij recht heeft op een beëindigings- en/of schadevergoeding.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. De grondslag van het verweer van [gedaagde] houdt in dat de opzegging van 18 juli 2024 heeft geleid tot een beëindiging van de overeenkomst, uiterlijk per 18 juli 2026. [gedaagde] is van mening dat zij, na de aflevering van de wijnen op basis van Allocatie 2022 op 30 oktober 2025, uit hoofde van de overeenkomst geen verdere verplichtingen meer heeft ten opzichte van [eiser].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht Nederlandse rechter
4.1.
Omdat [gedaagde] gevestigd is in Frankrijk, heeft deze zaak een internationaal karakter. [eiser] heeft het standpunt ingenomen dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd vermeld dat zij dit standpunt van [eiser] niet betwist. De regels van internationaal bevoegdheidsrecht zijn echter van openbare orde, waardoor de voorzieningenrechter ambtshalve moet onderzoeken of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. [2]
4.2.
De bevoegde rechter moet, omdat Nederland en Frankrijk beide lid zijn van de Europese Unie, worden gevonden via de Verordening Brussel I-bis. [3] Van belang daarbij is dat een distributieovereenkomst als in deze zaak aan de orde, op grond van jurisprudentie van het HvJEU wordt aangemerkt als een overeenkomst tot het verstrekken van diensten. [4]
4.3.
Artikel 7 aanhef Pro Brussel I-bis bepaalt dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, onder omstandigheden op het grondgebied van een andere lidstaat kan worden opgeroepen. Uit lid 1 sub b van artikel 7 Brussel Pro I-bis volgt dat dit, in het geval van een overeenkomst op basis waarvan diensten worden verstrekt, de lidstaat betreft waar de diensten verstrekt worden.
4.4.
Voor deze zaak geldt dat de distributiediensten door [eiser] op basis van de overeenkomst worden verricht in Nederland. De conclusie is daarom dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, op grond van artikel 7 aanhef Pro en lid 1 sub b Brussel I-bis.
Toepasselijk recht
4.5.
Ten aanzien van het toepasselijk recht heeft [eiser] betoogd dat Nederlands recht van toepassing is. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd vermeld dat dit standpunt van [eiser] niet wordt betwist. Ook hier geldt dat de voorzieningenrechter ambtshalve moet onderzoeken welk recht van toepassing is (artikel 10:2 BW Pro).
4.6.
Het toepasselijk recht moet worden gevonden via de Rome I-verordening. [5] Er is door partijen geen rechtskeuze gemaakt. Uit artikel 4 lid 1 sub b Rome Pro I volgt dat, bij een distributieovereenkomst als deze, van toepassing is het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft. De dienstverlener is [eiser]. [eiser] is in Nederland gevestigd. De conclusie is daarom dat Nederlands recht van toepassing is.
Beoordelingskader kort geding
4.7.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen door [eiser]. Toewijzing daarvan is mogelijk bij een spoedeisende zaak waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad vereist is (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Een uitspraak in kort geding betreft een voorlopig oordeel, dat wordt gegeven in het licht van een eventuele bodemprocedure. Een uitspraak in kort geding is niet bindend voor de bodemrechter (artikel 257 Rv Pro).
Primaire vordering [eiser]
4.8.
Met de primaire vordering beoogt [eiser] de Allocaties 2023 en 2024 van [gedaagde] te verkrijgen, ondanks de opzegging van de overeenkomst door [gedaagde] op 18 juli 2024.
4.9.
Bij de beoordeling is van belang de juridische maatstaf die door de Hoge Raad is aangelegd ten aanzien van de opzegging van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd waarbij geen contractuele of wettelijke opzeggingsregelingen voorhanden is. Die maatstaf luidt als volgt:
“Of en, zo ja, onder welke voorwaarden een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen.
Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW Pro kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.” [6]
4.10.
Uit bovenstaand citaat volgt dat de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] in beginsel opzegbaar was. Voor de voorzieningenrechter is dat ook uitgangspunt.
4.11.
Het standpunt van [eiser] is dat [gedaagde] alleen op kon zeggen op basis van een zwaarwichtige reden – en dat een dergelijke zwaarwichtige reden er niet was (dagvaarding, randnummer 7.10). In juridische zin doet [eiser] hiermee een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW Pro). [eiser] meent dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in dit specifieke geval meebrengen dat [gedaagde] alleen op kon zeggen op basis van een voldoende zwaarwegende grond. [eiser] heeft daarbij de volgende argumentatie aangevoerd:
( i) de handelsrelatie tussen partijen liep al 31 jaar;
( ii) [eiser] is voor 50% van haar omzet afhankelijk van de overeenkomst met [gedaagde] en het einde van de overeenkomst zou leiden tot de noodzaak van een reorganisatie bij [eiser];
( iii) de reden voor opzegging in de brief van 18 juli 2024 is niet duidelijk.
4.12.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het standpunt van [eiser] onjuist. Het is een feit dat de handelsrelatie tussen partijen al 31 jaar liep, maar dat enkele feit is onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde] alleen op basis van een voldoende zwaarwegende grond op kon zeggen.
4.13.
De 50%-omzetafhankelijkheid is door [eiser] gesteld, maar niet onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] deze stelling van [eiser] betwist. Maar zelfs als de voorzieningenrechter veronderstellenderwijs uit zou gaan van de juistheid van de stelling van 50%-omzetafhankelijkheid van [eiser], is dat – in samenhang met de langlopende handelsrelatie – onvoldoende om te kunnen oordelen dat [gedaagde] alleen zou kunnen opzeggen op basis van een voldoende zwaarwegende grond. [7] Voor een geslaagd beroep op artikel 6:248 lid 1 BW Pro is in dit verband
meernodig, maar dat is door [eiser] niet gesteld.
4.14.
De conclusie is dat niet kan worden gezegd dat [gedaagde] de overeenkomst alleen had kunnen opzeggen op basis van een voldoende zwaarwegende grond.
4.15.
De voorzieningenrechter is het overigens niet eens met het standpunt van [eiser] dat [gedaagde] in haar brief van 18 juli 2024 onvoldoende duidelijk is geweest over de reden van opzegging. In die brief wordt – tussen de regels door – wel degelijk duidelijk gemaakt dat
  • i) het feit dat de aandelen in [eiser] (deels) in handen zijn gekomen van de onderneming Wijnhandel [bedrijf] B.V. (hierna: ‘[bedrijf]’); en
  • ii) het feit dat de heer [naam] (hierna: ‘[naam]’), die via zijn vennootschap enig eigenaar was van [eiser], [gedaagde] niet voorafgaand aan deze aandelenoverdracht daarover heeft geïnformeerd
voor [gedaagde] de redenen zijn geweest om de samenwerking met [eiser] stop te zetten. Of dat een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging vormde kan in het midden blijven, gelet op de rechtsoverwegingen 4.12 tot en met 4.14 van dit vonnis.
4.16.
[eiser] heeft ook nog aangevoerd dat [gedaagde] bij de opzegging een opzegtermijn in acht had moeten nemen die in ieder geval de Allocaties 2023 en 2024 zou omvatten. Dat standpunt van [eiser] wordt door de voorzieningenrechter verworpen. [eiser] miskent met haar standpunt dat [gedaagde] een substantiële opzegtermijn heeft gehanteerd. De opzegging dateert van 18 juli 2024, maar de rechten en verplichtingen voor partijen zijn na 18 juli 2024 doorgelopen. De Allocatie 2022 is aan [eiser] aangeboden en geaccepteerd. De bijbehorende wijn is door [eiser] in oktober 2025 opgehaald en zij heeft daar ook voor betaald. Onbetwist is door [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] nog wijn uit de Allocatie 2022 zal verkopen tot ongeveer 18 juli 2026. De gehanteerde opzegtermijn komt daarmee op 2 jaar. Door [eiser] zijn – mede in het licht van de rechtsoverwegingen 4.12 tot en met 4.15 van dit vonnis – onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat [gedaagde] in dit geval, op basis van de eisen van redelijkheid en billijkheid, een langere opzegtermijn in acht had moeten nemen.
4.17.
De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat [eiser] pas 17 maanden na de opzegging, in december 2025, de rechtsgeldigheid van de opzegging voor het eerst heeft betwist. Dat is rijkelijk laat en niet in lijn met wat van een redelijk handelend contractspartner verwacht mag worden. [eiser] heeft bovendien geen afdoende verklaring gegeven voor dit lange wachten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven dat zij zich niet agressief wilde opstellen richting [gedaagde] teneinde te proberen de relatie daarmee te redden, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het betwisten van de rechtsgeldigheid van een opzegging niet worden aangemerkt als agressief gedrag. Indien [eiser] zich kort na 18 juli 2024 richting [gedaagde] op het standpunt zou hebben gesteld dat de opzegging niet rechtsgeldig was, had zij [gedaagde] daarmee in de gelegenheid gesteld om haar vervolgstappen daar eventueel nog op aan te passen. Die kans is [gedaagde] nu ontnomen, terwijl [eiser] met de door haar in dit kort geding ingestelde vorderingen, bezien vanuit het perspectief van [gedaagde], wel verstrekkende (financiële) gevolgen verbindt aan de vermeend niet-rechtsgeldige opzegging.
4.18.
De conclusie is dat de primaire vordering van [eiser] niet toewijsbaar is.
Subsidiaire vordering [eiser]
4.19.
De subsidiaire vordering van [eiser] ligt in het verlengde van de primaire vordering. Ook de subsidiaire vordering berust op de gedachte dat de handelwijze van [gedaagde] rondom de opzegging van de overeenkomst op 18 juli 2024 in strijd is met verbintenissen die voortvloeien uit de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW Pro). [eiser] meent dat [gedaagde] – uitgaande van de situatie dat de overeenkomst na de definitieve voltooiing van Allocatie 2022 eindigt – een beëindigingsvergoeding had moeten aanbieden in verband met gederfde winst.
4.20.
Die gedachte van [eiser] is onjuist. De voorzieningenrechter verwijst naar de rechtsoverwegingen 4.9 tot en met 4.17 van dit vonnis. Kort gezegd komt het erop neer dat de voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde], op basis van de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW Pro), ten opzichte van [eiser] niet tot meer of anders was gehouden dan zij heeft gedaan met betrekking tot de opzegging van de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. Dit nog afgezien van het punt dat [eiser] de vermeend door haar gederfde winst als gevolg van de opzegging op geen enkele wijze van een onderbouwing heeft voorzien.
4.21.
De conclusie is dat ook de subsidiaire vordering van [eiser] wordt afgewezen.
Proceskosten
4.22.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
10.487,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.853,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 11.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.De term ‘allocatie’ verwijst in dit verband naar de hoeveelheid wijn die de importeur ([eiser]) toegewezen krijgt van het wijnhuis ([gedaagde]).
2.ECLI:NL:HR:2021:230, rov. 3.2.
3.Voluit: Verordening (EU) nr. 1215/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechtelijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).
4.ECLI:EU:C:2013:860, rov. 41.
5.Voluit: Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).
6.ECLI:NL:HR:2018:141, rov. 3.6.2.