ECLI:NL:RBOVE:2026:965

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
11785704 \ CV EXPL 25-1970
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 lid 1 onder a BWArt. 6:82 BWArt. 6:83 sub c BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling restant koopsom tweedehands auto en afwijzing gedeeltelijke ontbinding koopovereenkomst

Deze civiele procedure betreft een geschil tussen twee particulieren over de koop van een tweedehands Audi A4 uit 2005. Partij A vordert betaling van het restant van de koopsom, terwijl partij B betwist dat hij meer dan € 3.500,- verschuldigd is en stelt dat de auto non-conform is. Partij B vordert in reconventie gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst.

De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van consumentenkoop, omdat partij A niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Uit WhatsApp-correspondentie blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat partij B € 4.020,- zou betalen, waarvan € 1.450,- reeds is voldaan. De betaling van € 1.250,- is een deelbetaling van de koopsom, niet een vergoeding voor onderdelen zoals partij A stelde.

Partij B kon niet aantonen dat de auto non-conform was. De auto werd verkocht als opknapproject zonder garantie en kenteken. Partij B had geen ingebrekestelling gestuurd en partij A was niet in verzuim. De vordering tot gedeeltelijke ontbinding wordt daarom afgewezen.

De kantonrechter veroordeelt partij B tot betaling van € 2.570,- plus wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De vordering in reconventie wordt afgewezen en partij B wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Partij B wordt veroordeeld tot betaling van € 2.570,- plus rente en incassokosten, terwijl de vordering tot gedeeltelijke ontbinding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11785704 \ CV EXPL 25-1970
Vonnis van 24 februari 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
procederend in persoon,
tegen
[partij B],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: mr. A. Hoekman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 6,
- de conclusie van antwoord in conventie en van voorwaardelijke eis in reconventie met producties 1 t/m 9,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van 13 januari 2026 van Wigger van het Laar waarin wordt meegedeeld dat zij zich als gemachtigde van [partij A] per heden onttrekken,
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026 waarbij partijen zijn verschenen,
- de spreekaantekeningen van [partij A] met eisvermeerdering,
- de spreekaantekeningen van de zijde van [partij B].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de koop van een tweedehands auto tussen twee particulieren. [partij A] vordert in conventie het restant van de koopsom. Partijen twisten over de vraag wat er tussen hen is overeengekomen met betrekking tot de koopsom. Verder voert [partij B] aan dat de auto non-conform is en dat hij daarom niet gehouden is om de vordering in conventie te voldoen. In het geval de vordering in conventie wordt toegewezen, vordert [partij B] in reconventie de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst. De kantonrechter wijst de vorderingen in conventie deels toe. De vordering in reconventie wordt afgewezen. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

3.De feiten

3.1.
[partij A] heeft in september 2024 een auto verkocht aan [partij B] voor een bedrag van € 3.500,-. Het betreft een Audi A4 uit het jaar 2005. De auto is zonder kenteken verkocht.
3.2.
Partijen hebben in de periode 13 augustus 2024 tot 5 februari 2025 per WhatsApp gecorrespondeerd over onder meer de aankoop van de auto en de betaling.
3.3.
De toenmalige gemachtigde van [partij A] heeft op 25 februari 2025 een brief gestuurd aan [partij B] en hem gesommeerd om binnen veertien dagen een bedrag van € 3.910,22 te betalen.
3.4.
Per e-mailbericht van 2 maart 2025 heeft [partij B] op de brief gereageerd. In dit e-mailbericht staat, voor zover van belang, het navolgende:
(..)Heb ook aangegeven dat ik juridisch maatregelen nemen tegen [partij A] omdat hij zijn werkzaamheden aan audi gedaan heeft maar onjuist en wetende dat niet goed is toch uitgevoerd heeft.. en Audi wetenden dat er serieuze gebreken waren zonder te vertellen aan mij audi aan mij verkocht heeft voor een hogere bedrag dan dat audi waard
Misleiding en oplichting
Beste stukken aantekeningen en foto’s en voice memo is in ons gesprekken via app zijn en geweest ook telefonisch gesprekken (..)
3.5.
De gemachtigde van [partij A] heeft op 17 maart 2025 een brief gestuurd aan [partij B] en hem gesommeerd om binnen twee dagen een bedrag van € 4.536,25 te betalen, inclusief rente en incassokosten.
3.6.
De gemachtigde van [partij B] heeft hier per e-mailbericht op gereageerd. Hierin staat, voor zover van belang, het navolgende:
(..) In september 2024 heeft cliënt een Audi A4 (kenteken [kenteken]) gekocht van de heer [partij A] voor een bedrag van € 3.500,-. De heer [partij A] is een goede kennis van cliënt, op wiens deskundigheid cliënt vertrouwde. De afspraak tussen partijen was dat cliënt het bedrag in maandelijkse termijnen van € 500,- zou voldoen. De heer [partij A] heeft het echter op zich genomen om ook nog allerhande ‘reparaties’ uit te voeren aan de auto en heeft deze kosten bovenop de overeengekomen koopsom aan cliënt in rekening gebracht, zonder dat dit tussen partijen was overeengekomen. Helaas hebben voornoemde werkzaamheden niet tot een ‘conforme’ auto geleid, waarover meer in het verdere verloop van deze brief.
Hoe dit ook zij, de hoofdsom, te weten de koopsom waarover overeenstemming was bereikt tussen partijen, bedraagt aldus € 3.500,-.
(..)
Voorts zijn partijen overeengekomen dat de heer [partij A] zou assisteren bij de verkoop van de oude auto van cliënt. Deze is verkocht voor € 1.900,-, waarvan € 1.250,- aan de heer [partij A] is betaald als gedeeltelijke aflossing van de koopsom van de Audi A4. Aldus staat feitelijk open een bedrag van € 2.250,-
(..)
Cliënt heeft die gebreken herhaaldelijk en veelvuldig gemeld bij de heer [partij A], hetgeen volgt uit de uitvoerige Whatsappcorrespondentie tussen partijen. De eerste klachten van cliënt zijn reeds in oktober 2024 gemeld.”
(..)
3.7.
Op 25 april 2025 heeft de gemachtigde van [partij A] een e-mailbericht gestuurd aan de gemachtigde van [partij B]. Hierin staat, voor zover van belang, het navolgende:
(..)Uw cliënt, de heer [partij B], heeft in september 2024 van cliënt een Audi A4 gekocht (met chassisnummer [nummer]) voor een tussen partijen overeengekomen bedrag van € 3.500,-. De auto is zonder kenteken verkocht. In uw brief stelt u dat reeds een bedrag van € 1.250,- zou zijn voldaan als deelbetaling van de koopprijs. Deze stelling is feitelijk onjuist.
Het bedrag van € 1.250,- betreft geen (deel)betaling van de auto, maar een vergoeding voor onderdelen die mijn cliënt op verzoek van uw cliënt heeft besteld en voorgeschoten. Het betrof werkzaamheden en vervangingen aan het voertuig die niet noodzakelijk waren, maar door de heer [partij B] werden gewenst. Dit betrof een vriendendienst. De kosten van deze onderdelen lagen bovendien hoger dan het genoemde bedrag. Deze betaling staat volledig los van de koopprijs van het voertuig. (..)
De auto is particulier verkocht zonder geldige APK, zonder garantie, zonder kenteken, en tegen een bijbehorende, gereduceerde prijs. (..)
De auto is verkocht als een ‘opknapproject’, waarbij de heer [partij B] uitdrukkelijk heeft aangegeven de auto zelf te willen opknappen en weer door wil verkopen. Dit blijkt ook uit de whatsapp gesprekken van cliënt en de heer [partij B]. (..)
In dat licht bestond voor mijn cliënt geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat van hem herstel of tussenkomst werd verwacht. (..)

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[partij A] vordert na eisvermeerdering tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – veroordeling van [partij B] tot betaling van € 7.248,62.
4.2.
[partij A] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Hij stelt dat hij met [partij B] is overeengekomen dat [partij B] een koopprijs voor de auto van € 3.500,00 zou betalen en een bedrag van € 520,00 voor overige werkzaamheden. [partij B] heeft een deelbetaling van € 200,- verricht. Het resterende bedrag van € 3.820,- heeft [partij B] niet voldaan.
4.3.
[partij B] betwist de vordering. Hij voert daartoe aan dat hij met [partij A] is overeengekomen om de auto te kopen tegen een koopsom van € 3.500,-. Hiervan heeft hij inmiddels € 1.450,- betaald. Verder voert [partij B] aan dat de auto niet voldoet aan de overeenkomst en dat hij [partij A] ruimschoots de gelegenheid heeft gegeven om over te gaan tot herstel van de tekortkomingen.
in voorwaardelijke reconventie
4.4.
[partij B] vordert - samengevat – onder de voorwaarde dat hij wordt veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan [partij A], dat de tussen hen gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de auto gedeeltelijk wordt ontbonden met vermindering van de koopprijs tot het bedrag dat hij reeds aan [partij A] heeft voldaan, dan wel een ander door de kantonrechter te vast te stellen bedrag.
4.5.
[partij A] voert verweer. [partij A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B].
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
Geen consumentenkoop
5.1.
De vraag die eerst beantwoord moet worden is of de koop gekwalificeerd kan worden als consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 1 onder Pro a BW. Als er namelijk sprake is van een consumentenkoop dan zijn ook de bepalingen ter bescherming van de belangen van consumenten bij koop van toepassing.
5.2.
Om te kunnen spreken van een consumentenkoop moet het gaan om de koop van een roerende zaak, die is verkocht door een verkoper die handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf aan een koper, zijnde een natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. [partij B] beroept zich op de gevolgen van zijn stelling dat er sprake is van een consumentenkoop en heeft daarom de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast van die stelling.
5.3.
[partij B] heeft onvoldoende onderbouwd dat [partij A] bij de verkoop heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het enkele feit dat [partij A] automonteur is en vaker auto’s heeft ingekocht of verkocht, is hiervoor onvoldoende, zeker in het licht van de omstandigheid dat partijen al vele jaren met elkaar bevriend zijn en ter zake van de verkoop niets op schrift is gesteld. Dit betekent dat er naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake is van consumentenkoop.
Wat zijn partijen overeengekomen?
5.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij aanvankelijk mondeling een koopovereenkomst voor een tweedehands auto hebben gesloten tegen een koopsom van € 3.500,-. Evenmin is in geschil dat [partij B] een bedrag van € 200,- contant heeft betaald.
5.5.
Partijen twisten over de vraag of zij naast het bedrag van € 3.500,- zijn overeengekomen dat [partij B] nog € 520,- aan [partij A] voor overige werkzaamheden moet betalen.
5.6.
Tussen partijen is ook in geschil of het bedrag van € 1.250,- dat [partij A] van [partij B] heeft ontvangen een deelbetaling van de koopprijs betreft of een vergoeding is voor onderdelen. [partij B] stelt dat hij € 1.250,- aan [partij A] heeft betaald uit de opbrengst van zijn oude auto die [partij A] voor hem heeft verkocht. [partij A] betwist echter dat dit bedrag een deelbetaling is van de koopsom. [partij A] stelt dat dit een vergoeding is voor onderdelen die hij op verzoek van [partij B] heeft besteld en voorgeschoten.
Juridisch kader
5.7.
In deze zaak gaat het in de kern om (de beantwoording van) de vraag wat partijen mondeling dan wel via WhatsApp berichten zijn overeengekomen. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het bedrag dat [partij B] nog aan [partij A] moet betalen in verband met de levering van de auto en bijkomende onderdelen c.q. werkzaamheden en of de betaling van € 1.250,- door [partij B] hierop in mindering moet worden gebracht.
5.8.
De stelplicht, en in geval van een gemotiveerde betwisting, ook de bewijslast rusten, krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro in beginsel op [partij A].
5.9.
Hoe de tussen partijen gemaakte afspraken moeten worden uitgelegd hangt af van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [1] Met de omstandigheden van het geval wordt niet alleen gedoeld op de omstandigheden ten tijde van het aangaan van de overeenkomst; ook gedragingen en handelingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst zijn van belang. [2] Die latere gedragingen en verklaringen kunnen namelijk een indicatie vormen van de door partijen beoogde inhoud van de gemaakte afspraken.
De hoogte van de koopsom
5.10.
[partij A] stelt dat hij een bedrag van € 4.020,- van [partij B] heeft te vorderen. Van dit bedrag is door [partij B] een deelbetaling van € 200,- verricht. [partij A] vordert in deze procedure het resterende bedrag van € 3.820,-. [partij B] betwist het bedrag van € 4.020,-.
5.11.
Partijen zijn het met elkaar eens dat in ieder geval een koopsom van € 3.500,- is overeengekomen. [partij A] stelt dat hij op verzoek van [partij B] ook onderdelen heeft geleverd en aanvullende werkzaamheden heeft verricht. In de dagvaarding noemt [partij A] deze aanvullende werkzaamheden het monteren van onderdelen, stalling van de auto en het leveren van een set winterbanden betreffen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A] uitgelegd dat de aanvullende werkzaamheden bestaan uit het bestellen van kentekenplaten, het inschakelen van de RDW, het leveren van een set winterbanden, een grote onderhoudsbeurt en aandrijfassen. Kosten voor het stallen worden niet gevorderd, zo heeft [partij A] nadrukkelijk meegedeeld tijdens de mondelinge behandeling.
5.12.
[partij A] stelt dat het bestaan van de overeenkomst alsmede de erkenning van de betalingsverplichting uit de WhatsApp-correspondentie volgt. Op 29 september 2024 schrijft [partij B] het volgende:
‘3600 euro kaldi (vertaling: Er staat nog € 3.600,- open)’en op 10 oktober 2024 schrijft [partij B]:
‘Evet 4000’ (vertaling: Ja, 4000).[partij A] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij op 17 oktober 2024 per Whatsappbericht aan [partij B] heeft medegedeeld dat het totaalbedrag € 4020,- is en dat [partij B] op dezelfde datum om 20.45 uur heeft bevestigd dat dit klopt. [partij B] heeft dit niet weersproken. Uit de Whatsappcorrespondentie volgt dat [partij B] op 17 oktober 2024 om 20:45 per WhatsAppbericht aan [partij A] schrijft: ‘
4020 euro kaldi ozaman’. En daarna vraagt [partij B] naar het bankrekeningnummer. Uit het voorgaande leidt de kantonrechter af dat partijen met elkaar een afspraak hebben gemaakt dat [partij B] een bedrag van € 4.020,- aan [partij A] zou betalen.
De betaling van € 1.250,-
5.13.
Vast staat dat [partij A] naast de contante betaling van € 200,- een bedrag van € 1.250,- van [partij B] heeft ontvangen. Dit is door [partij A] niet betwist. [partij A] stelt dat dit geen deelbetaling van de koopprijs is, maar een vergoeding voor onderdelen die hij op verzoek van [partij B] heeft besteld en voorgeschoten. [partij A] heeft echter niet onderbouwd welke onderdelen dit zijn, welke waarde elk onderdeel vertegenwoordigd en hij heeft ook niet onderbouwd dat dit tussen partijen is overeengekomen. Dit betekent dat [partij A] zijn stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd en dat het naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vaststaat dat de betaling van € 1.250,- een deelbetaling van het totaal door [partij B] aan [partij A] verschuldigde bedrag betreft, zoals dat uit de hiervoor vermelde WhatsAppcorrespondentie blijkt. Dit betekent dat nog een bedrag resteert van € 4.020,- -/- € 1.250,- -/- € 200,- = € 2.570,-.
Non-conformiteit
5.14.
[partij B] heeft zowel in conventie als in voorwaardelijke reconventie een beroep gedaan op gedeeltelijke ontbinding wegens de levering van een non-conforme auto. [partij A] stelt dat nergens uit de WhatsAppcorrespondentie blijkt dat [partij B] ooit klachten heeft geuit of dat hij [partij A] aansprakelijk achtte voor gebreken aan de auto. [partij A] stelt dan ook dat hij niet in verzuim is nu hij nooit in de gelegenheid is gesteld om de gebreken te beoordelen of te herstellen. Omdat uit de reacties van [partij A] blijkt dat hij niet voornemens is om tot herstel over te gaan, is een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 BW Pro niet nodig volgens [partij B].
5.15.
[partij A] betwist ook dat de auto non-conform is: [partij B] wist dat [partij A] niet bekend was met de staat van de auto en dat er nog het een en ander aan moest gebeuren.
5.16.
Uit de overgelegde WhatsAppcorrespondentie en dat wat besproken is tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat [partij B] de auto heeft gekocht van [partij A] die nog niet was ingevoerd in Nederland. Verder volgt uit de correspondentie dat omstreeks 7 oktober 2024 de RDW-keuring heeft plaatsgevonden en dat [partij B] vervolgens de APK-keuring zou verzorgen. Op 7 oktober 2024 appt [partij B] aan [partij A] dat hij de Audi te koop gaat zetten als de auto klaar is. [partij B] heeft desgevraagd verklaard dat hij de auto al niet meer wilde voor de afgifte van het kenteken omdat hij er geen goed gevoel bij had, maar dat overtuigt niet omdat uit de WhatsAppcorrespondentie blijkt dat [partij B] ook op 19 september 2024 al het voornemen had de Audi te koop te zetten zodra deze kan rijden en hij verwacht dan dat hij ‘er wel € 1500 euro uit kan halen’. Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat [partij B] er niet vanuit mocht gaan dat hij een auto kocht, die al was opgeknapt. Ook uit de WhatsAppcorrespondentie van partijen vanaf 10 oktober 2024 blijkt dit. Partijen hebben het dan over de problemen waar [partij B] tegenaan loopt en hoe die te verhelpen zijn en waarbij [partij A] op 11 oktober 2024, als [partij B] zegt steeds meer het gevoel te hebben van een miskoop, zegt ‘te koop zetten’. Uit hetgeen partijen hierna medio november 2024 met elkaar bespreken, blijkt dat ook [partij A] niet bekend was met de staat van de auto. Als het vervolgens dan tegenvalt en het opknappen van de auto meer kosten met zich meebrengt dan [partij B] verwachtte, komt dit naar het oordeel van de kantonrechter voor risico van [partij B]. Van een non-conforme auto is geen sprake.
5.17.
Zelfs indien wel sprake zou zijn van non-conformiteit had [partij B] [partij A] in gebreke dienen te stellen waarbij ingevolge het bepaalde in artikel 6:82 BW Pro hij [partij A] schriftelijk aanmaant binnen een redelijke termijn alsnog zijn verplichtingen na te komen. Anders dan [partij B] stelt, is geen sprake van een situatie waarin op grond van artikel 6:83 aanhef Pro en onder sub c BW [3] een ingebrekestelling achterwege zou kunnen blijven. Gesteld noch gebleken is dat [partij B] aan [partij A] op enig moment te kennen heeft gegeven dat hij van mening is dat [partij A] zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. In tegendeel: [partij B] koopt op 24 oktober 2024 zelf een andere motor voor de auto en vraagt zelfs of hij de factuur op de bedrijfsnaam van [partij A] mag laten zetten voor de btw-teruggave.
5.18.
Uit het bovenstaande volgt dat van non-conformiteit niet is gebleken. Dit betekent dat [partij B] zijn betalingsverplichting niet rechtsgeldig heeft kunnen opschorten. Ook is ten onrechte geen ingebrekestelling verstuurd, zodat ook van verzuim van de zijde van [partij A] geen sprake is.
Conclusie
5.19.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel een hoofdsom van € 2.570,00 toewijsbaar is.
Wettelijke rente
5.20.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen omdat [partij A] die rente, gelet op de toewijsbare hoofdsom, over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.21.
[partij A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [partij A] heeft aan [partij B] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [partij B] zal worden veroordeeld. Omdat [partij A] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 462,22 worden toegewezen.
Eisvermeerdering
5.22.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A] zijn eis vermeerderd en heeft hij de vergoeding gevorderd van de daadwerkelijke proceskosten die hij heeft betaald aan zijn voormalige gemachtigde. [partij A] vordert in dat verband een totaalbedrag van € 2.728,62. Ook vordert [partij A] een bedrag van € 700,00 als gevolgschade omdat hij de zaak heeft moeten sluiten.
5.23.
De kantonrechter constateert dat [partij A] zijn gewijzigde eis op schrift heeft gesteld en dat, gelet op de aard van de vermeerdering van eis, [partij B], die zich laat bijstaan door een professionele gemachtigde, voldoende in de gelegenheid is geweest verweer te voeren. Dit betekent dat ook op de eisvermeerdering zal worden beslist.
5.24.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om [partij B] te veroordelen tot de betaling van de daadwerkelijk door [partij A] gemaakte kosten in verband met deze procedure en zal derhalve niet af te wijken van de reguliere proceskostenveroordeling. Een volledige vergoeding wordt alleen toegekend in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is.
5.25.
Ook de gevorderde gevolgschade ad € 700,00 komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds vanwege het ontbreken van enige onderbouwing.
Proceskosten
5.26.
[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,12
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
253,00
(1 punt × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
782,62
in reconventie
5.27.
Nu hiervoor in conventie is geoordeeld dat [partij A] een vordering op [partij B] heeft, is de voorwaarde die aan de vordering in reconventie is verbonden vervuld. De kantonrechter komt dan ook toe aan de beoordeling van de vordering in reconventie.
5.28.
Zoals in conventie reeds is geoordeeld is [partij A] niet in verzuim geraakt. Dat leidt ertoe dat [partij B] niet bevoegd is de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden. Uit de correspondentie blijkt niet dat sprake is van een ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW Pro danwel een mededeling als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW Pro. Dit betekent dat de vordering van [partij B] wordt afgewezen.
Proceskosten
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- verletkosten
50,00
Totaal
50,00

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 2.570,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 462,22 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 782,62, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.6.
wijst de vorderingen van [partij B] af,
6.7.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6319, Haviltex-criterium
2.Hoge Raad 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572.
3.Voor het intreden van verzuim is een ingebrekestelling niet nodig als wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van zijn verbintenis tekort zal schieten.