De zaak betreft een beroep van Varkenshandel V.O.F. tegen het dwangsombesluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 26 oktober 2023. Dit besluit handhaaft het primaire besluit van 15 augustus 2023 waarin geen dwangsom werd toegekend ondanks het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen een boetebesluit van 21 juli 2022. De boetes betroffen overtredingen van de Meststoffenwet uit 2017.
De eiseres stelde de minister op 31 juli 2023 in gebreke, maar de rechtbank oordeelt dat deze ingebrekestelling onredelijk laat was, aangezien de beslistermijn toen al ruim 41 weken was overschreden en er weinig inhoudelijke correspondentie was over de bezwaarprocedure. De rechtbank overweegt dat het feit dat de minister de gedingstukken laat toezond, niet leidt tot een spoediger ingebrekestelling door de eiseres.
Verder is geoordeeld dat het nemen van twee afzonderlijke besluiten – het besluit op bezwaar tegen het boetebesluit en het dwangsombesluit – niet onrechtmatig is en dat deze besluiten afzonderlijk bestreden kunnen worden. Het beroep tegen het dwangsombesluit wordt daarom ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en de eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.