AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor feitelijke leiding geven aan ambtelijke omkoping bij brugaanbesteding Sint Maarten
De rechtbank Overijssel heeft op 19 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd verdacht van ambtelijke omkoping in verband met de gunning van de bouw van de Simpson Bay Causeway Bridge op Sint Maarten. Verdachte werd primair verweten zelf omkoping te plegen, subsidiair dat hij feitelijke leiding gaf aan omkoping gepleegd door de rechtspersonen [medeverdachte 1] B.V. en [medeverdachte 2] N.V. De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde, maar achtte bewezen dat verdachte feitelijke leiding gaf aan het subsidiair ten laste gelegde feit.
Uit het dossier blijkt dat verdachte als bestuurder van de betrokken rechtspersonen een consultancy-overeenkomst sloot met een agent ([naam 2]) die een deel van zijn fee doorbetaalde aan een minister ([naam 1]) op Sint Maarten, met het oogmerk de gunning van het overheidscontract te bewerkstelligen. De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat een deel van de fee zou worden gebruikt voor omkoping. De verklaringen van kroongetuige [naam 2] en getuige [naam 3] werden als betrouwbaar beoordeeld.
De rechtbank stelde vast dat hoewel formeel de gunningsbeslissing bij SLAC lag, feitelijk de minister [naam 1] de uiteindelijke beslissing nam en dat verdachte en de rechtspersonen zich hiervan bewust waren. De omkoping had een nadelige invloed op de concurrentiepositie en het vertrouwen in het openbaar bestuur. Gezien de ernst van het feit en de overschrijding van de redelijke termijn legde de rechtbank een geldboete van €30.000 op aan verdachte, met een vervangende hechtenis van 158 dagen bij niet-betaling.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €30.000 voor feitelijke leiding geven aan ambtelijke omkoping bij de gunning van een brugcontract op Sint Maarten.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 81.256761.20 (P)
Datum vonnis: 19 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .
1.Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 19 januari 2026, 22 januari 2026 en 19 februari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.S. ten Doesschate, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
primair:zich tezamen en in vereniging met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke omkoping;
subsidiair:opdracht heeft gegeven tot of feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [medeverdachte 1] B.V. en [medeverdachte 2] N.V. tezamen en in vereniging met een ander of anderen plegen van ambtelijke omkoping.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 november 2009 tot en met 11 maart 2014 te Woerden en/of Rotterdam, althans in Nederland en/of Sint Maarten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
een (buitenlandse) ambtenaar, te weten [naam 1] , werkzaam als Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ontwikkeling Milieu en Infrastructuur (VROMI) en/of Gedeputeerde en/of lid van de Staten van Sint Maarten,
welke gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) aan die [naam 1] heeft/hebben bestaan uit
- ( een) geldbedrag(en) van in totaal circa USD 860.000,-, althans enig geldbedrag en/of
- ( een) (contant(e)) geldbedrag(en) van in totaal USD 83.000,-, althans enig geldbedrag,
(telkens) met het oogmerk om die (buitenlandse) ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten,
en/of
(telkens) ten gevolge of naar aanleiding van wat door die (buitenlandse) ambtenaar in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten,
te weten het vanuit zijn functie als Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ontwikkeling Milieu en Infrastructuur (VROMI) en/of Gedeputeerde en/of lid van de Staten van Sint Maarten het gunnen van een overheidscontract met betrekking tot de aanleg van de ‘Simpson Bay Causeway Bridge’ op Sint Maarten aan het/de bouwbedrijf/bouwbedrijven [medeverdachte 1] B.V. en/of [medeverdachte 2] N.V.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte 1] B.V. ( [medeverdachte 1] ) en/of [medeverdachte 2] N.V. ( [medeverdachte 2] ) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 november 2009 tot en met 11 maart 2014 te Woerden en/of Rotterdam, althans in Nederland en/of Sint Maarten, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
een (buitenlandse) ambtenaar, te weten [naam 1] , werkzaam als Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ontwikkeling Milieu en Infrastructuur (VROMI) en/of Gedeputeerde en/of lid van de Staten van Sint Maarten,
welke gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) aan die [naam 1] heeft/hebben bestaan uit
- ( een) geldbedrag(en) van in totaal circa USD 860.000,-, althans enig geldbedrag, en/of
- ( een) (contant(e)) geldbedrag(en) van in totaal USD 83.000,-, althans enig geldbedrag,
(telkens) met het oogmerk om die (buitenlandse) ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten,
en/of
(telkens) ten gevolge of naar aanleiding van wat door die (buitenlandse) ambtenaar in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten,
te weten het vanuit zijn functie als Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ontwikkeling Milieu en Infrastructuur (VROMI) en/of Gedeputeerde en/of lid van de Staten van Sint Maarten het gunnen van een overheidscontract met betrekking tot de aanleg van de ‘Simpson Bay Causeway Bridge’ op Sint Maarten aan het/de bouwbedrijf/bouwbedrijven [medeverdachte 1] B.V. en/of [medeverdachte 2] N.V.
tot welke(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven dan wel aan bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.
3.De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om vrijspraak van het tenlastegelegde. [medeverdachte 1] B.V. en [medeverdachte 2] N.V. (hierna respectievelijk: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) hebben zich in het aanbestedingstraject van de Causeway Bridge (hierna: de Brug) niet schuldig gemaakt aan omkoping van [naam 1] . Daartoe is, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
De getuigen [naam 2] en [naam 3] hebben weliswaar een belastende verklaring afgelegd, maar deze verklaringen zijn niet betrouwbaar en/of ongeloofwaardig. [naam 2] heeft met het Openbaar Ministerie een kroongetuigedeal gesloten. Pas nadat hij die afspraken had gemaakt, heeft hij voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] belastende verklaringen afgelegd.
Vanwege die afspraken was hij gehouden belastend over [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te verklaren
Ook op basis van zijn consultancy-overeenkomst met [medeverdachte 1] had [naam 2] reden om belastende verklaringen af te leggen. Van deze consultancy-overeenkomst maakte een anticorruptie-clausule deel uit. [naam 2] had er belang bij te verklaren dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wisten van de doorbetalingen aan [naam 1] , zodat niet gezegd kan worden dat hij de bepalingen van de overeenkomst had geschonden.
Ook de verklaringen van [naam 3] zijn niet betrouwbaar. Als verdachte heeft hij anders verklaard dan als getuige. In zijn getuigenverklaringen geeft hij toe dat wat hij als verdachte heeft verklaard over het doorbetalen van betalingen van [medeverdachte 1] door [naam 2] aan [naam 1] aannames zijn.
[medeverdachte 1] had geen wetenschap van de doorbetalingen door [naam 2] van een deel van zijn fee aan [naam 1] . Er is dus ook geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op die doorbetalingen.
De gunningsbeslissing van de bouw van de Brug is niet genomen door [naam 1] , in zijn bediening als minister. De opdracht is aanbesteed conform de regels. De Simpson Bay Lagoon Authority Co. (hierna: SLAC) had hierover de leiding en nam de uiteindelijke beslissing.
De doorbetaling van een deel van de fee door [naam 2] aan [naam 1] kan niet aan [medeverdachte 1] worden toegerekend. Dergelijke betalingen vielen niet onder de werkzaamheden die [naam 2] voor de rechtspersoon mocht verrichten en passen evenmin in de normale bedrijfsvoering van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De doorbetaling aan [naam 1] is [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook niet dienstig geweest. Er is geen causaal verband tussen die doorbetalingen en het verkrijgen van de opdracht tot de bouw van de Brug. [medeverdachte 1] / [medeverdachte 2] heeft de opdracht gegund gekregen, omdat zij de hoogste score had in de aanbestedingsprocedure. Ook had [medeverdachte 1] / [medeverdachte 2] geen beschikkingsmacht over het handelen van [naam 2] en aanvaardde zij dat handelen evenmin.
[verdachte] heeft geen feitelijke leiding gegeven aan het door [medeverdachte 1] / [medeverdachte 2] plegen van ambtelijke omkoping. [verdachte] heeft namens [medeverdachte 1] de consultancy-overeenkomst met [bedrijf 1] getekend. In deze overeenkomst was een anticorruptie-clausule opgenomen. [verdachte] heeft deze clausule uitdrukkelijk besproken met [naam 2] en heeft daarmee de maatregelen genomen die redelijkerwijs van hem mochten worden verwacht om omkoping te voorkomen. Ook heeft hij geen opzet gehad op de betalingen door [naam 2] aan [naam 1] .
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
De rechtspersonen
[medeverdachte 1] is opgericht op 30 december 2008. Van 30 december 2008 tot 14 januari 2014 was [verdachte] bestuurder van [medeverdachte 1] .
[medeverdachte 2] is opgericht op 4 mei 2004. [medeverdachte 2] was een handelsentiteit van [medeverdachte 1] . Operationeel bestond er geen onderscheid tussen beide rechtspersonen. [verdachte] vervulde bij beide rechtspersonen een operationele en commerciële rol.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maken deel uit van het [bedrijf 8] -concern.
De Causeway Bridge
In de jaren ‘80 ontstond op Sint Maarten een plan dat voor een soepele doorstroming van het verkeer op het eiland moest zorgen. Het plan bestond uit tien ‘links’, waaronder de bouw van de brug over de Simpson Bay Lagoon.
[naam 1] was een politicus op Sint Maarten. In de periode tussen 2007 en 2010 was hij commissioner, en van 10 oktober 2010 tot en met 21 mei 2012 was hij vice-premier en minister van Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI).
[naam 1] was daardoor de vertegenwoordiger van de aandeelhouder in SLAC. Het bestuur van SLAC werd neergezet door de aandeelhouder.
In aanloop naar de verkiezingen in 2010 deed [naam 1] een verkiezingsbelofte dat de brug gebouwd zou worden. Hij was daar al mee bezig; op 16 november 2009 stelde hij voor om bij de aanbesteding voor een ‘bid by invitation’ te kiezen, waarbij een door hem aangedragen selecte groep aannemers zou worden uitgenodigd om een offerte in te dienen.
SLAC
De aanbesteding van de Brug was de verantwoordelijkheid van SLAC. SLAC was tot 2009 onderdeel van Economic Development Corporation N.V., en viel onder de portefeuille Economische Zaken van Sint Maarten. In 2009 werd SLAC mede op initiatief van [naam 1] ondergebracht bij de Sint Maarten Harbour Holding Company (SMHHC, hierna: de Haven). Hierdoor kwam SLAC, en de bouw van de Brug, in de portefeuille van [naam 1] .
Ten behoeve van de aanbesteding van de Brug zijn meerdere teams gevormd, waaronder een technisch team, een juridisch team en een financieel team. Deze teams vielen onder het bouwteam, dat bestond uit vijf eden van de raad van commissarissen van de Haven, [naam 4] (CEO van de Haven) en de CFO van de Haven.
Het technische team werd gevormd door [bedrijf 5] N.V.
De aanbesteding
Eind 2009 was [medeverdachte 1] op de hoogte van een aankomende aanbesteding met betrekking tot de Brug. [naam 5] , projectmanager bij [medeverdachte 1] en [naam 6] , contract- en tendermanager bij [medeverdachte 1] , hadden in december 2009 via e-mail contact met [naam 11] van architectenbureau [bedrijf 2] , waarin – in afwachting van de aanbesteding van de Brug – achtergrondinformatie over [medeverdachte 1] en het ontwerp van de Brug werd uitgewisseld. [naam 6] noemde hierin dat het een “ fine looking bridge” moet worden “ which [naam 1] would like (important factor)”.
Begin 2010 had [naam 6] contact met [naam 2] over een consultancy-overeenkomst tussen [bedrijf 1] , het bedrijf van [naam 2] , en [medeverdachte 1] . [naam 2] zou met betrekking tot de aanbesteding van de Brug voor [medeverdachte 1] fungeren als agent op Sint Maarten. Op 28 januari 2010 stuurde [naam 6] een concept consultancy-overeenkomst naar [naam 2] .
Op 5 februari 2010 werd onder andere [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) door SLAC uitgenodigd om een offerte uit te brengen voor de Brug.
Een belangrijk criterium om in aanmerking te komen voor de gunning was de local contentof local involvement. Van de door de aannemer in te huren arbeidskrachten moest minimaal 30% bestaan uit lokale onderaannemers en arbeidskrachten. Binnen [medeverdachte 1] werd een lijst opgesteld met lokale, Sint Maartense, aannemers en leveranciers. Dit digitale document, van 13 februari 2010, bevatte ‘ [naam 1] -input’en ‘ [naam 1] ’s comment 12-2’. Met ‘ [naam 1] ’ werd [naam 1] bedoeld.
In februari 2010 onderhield [naam 6] verder contact met [naam 11] over het ontwerp van de Brug en benadrukte daarbij opnieuw in verschillende e-mails dat het ontwerp in de smaak moest vallen bij, toen nog commissioner, [naam 1] .
Op 8 maart 2010 ontving SLAC offertes van vijf aannemers, waaronder van [medeverdachte 1] . Na evaluatie van de offertes werden de hoogst scorende aannemers geselecteerd voor de tweede ronde. Dat waren [medeverdachte 1] en [bedrijf 4] . Beide partijen dienden nadere vragen te beantwoorden.
Op 27 maart 2010 liet [naam 5] aan onder andere [naam 6] en [verdachte] weten dat hij had vernomen dat geadviseerd zou worden om met [medeverdachte 1] verder te gaan en dat ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 4] ’ de uiteindelijke beslissing zouden nemen. Met ‘ [naam 1] ’ werd wederom [naam 1] bedoeld en met ‘ [naam 4] ’ [naam 4] , de CEO van de Haven.
Enkele dagen later, op 31 maart 2010 berichtte [naam 7] ( [bedrijf 5] ) aan [naam 6] dat het antwoord van [medeverdachte 1] op de vragen van het bouwteam over de local involvementteleurstellend was. Verzocht werd om meer gespecificeerde antwoorden. De reactie van [naam 6] een dag later werd door [naam 4] doorgestuurd naar het privé e-mailadres van [naam 1] .
Op 8 april 2010 werd de tweede ronde van de aanbesteding geëvalueerd en werd aanbevolen om met [medeverdachte 1] te onderhandelen over een Preparatory Works Agreement.
[bedrijf 5] berichtte op 17 mei 2010 aan [bedrijf 3] dat zij was uitgekozen om verder te onderhandelen met SLAC.
Op 4 november 2010 ondertekenden SLAC en [medeverdachte 2] het Design & Construction Contract for the Link 9 Simpson Bay Causeway. Op dezelfde datum ondertekenden [verdachte] (namens [medeverdachte 1] ) en [naam 8] (namens [bedrijf 1] ) de consultancy-overeenkomst.
In het Design & Construction Contractwas overeengekomen dat SLAC de financiering van de Brug binnen een half jaar rond moest krijgen. SLAC slaagde daar niet in, zodat het contract op 4 mei 2011 verliep. Na nieuwe onderhandelingen werd op 22 februari 2012 een nieuw Design & Construction Contractondertekend.
Betalingen door [naam 2] aan [naam 1]
[naam 2] werd op Sint Maarten als agent betaald door meerdere (bouw)bedrijven. Sinds 2005 had hij een afspraak met [naam 1] . Bij projecten van meer dan een miljoen dollar zou [naam 1] een deel van de fee van [naam 2] ontvangen, als de opdracht werd gegund aan een bedrijf dat [naam 2] vertegenwoordigde. [naam 2] heeft in het kader van de aanbestedingsprocedure met betrekking tot de Brug contact gehad met [naam 1] . [naam 1] vroeg [naam 2] of hij nog een bedrijf kende ‘waar ook nog wat te halen valt’. [naam 2] heeft vervolgens via [naam 6] [medeverdachte 1] benaderd. [medeverdachte 1] sloot een consultancy-overeenkomst met [naam 2] , via zijn bedrijf [bedrijf 1] De fee van [naam 2] zou aanvankelijk 3 % van de aanneemsom bedragen. Daarvan zou [naam 2] 2/3 aan [naam 1] betalen. [medeverdachte 1] wijzigde het percentage naar 2,5%, waarna [naam 2] onenigheid kreeg met [naam 1] over het percentage dat hij aan [naam 1] moest betalen. [naam 1] wilde vasthouden aan 2% van de aanneemsom, maar [naam 2] wilde de verdeling van de fee houden op 2/3 en 1/3.
In de jaren 2012 tot en met 2015 ontving [bedrijf 6] B.V. (hierna: [bedrijf 6] ) in totaal € $ 43.636.000,-- van Sint Maarten Harbour Finance B.V. [bedrijf 6] boekte in deze periode in totaal $ 21.277.000,-- over naar de bankrekening van [medeverdachte 1] . Op haar beurt betaalde [medeverdachte 1] $17.300.000,-- aan [medeverdachte 2] .
[bedrijf 1] factureerde in totaal € 1.065.524,25 aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] betaalde deze facturen in de periode van 13 juni 2012 en 11 maart 2014, en belastte de consultancykosten door aan [medeverdachte 2] door middel van interne facturen.
[naam 2] betaalde aanvankelijk in contanten aan [naam 1] . Van de fee die hij van [medeverdachte 1] ontving, heeft hij in totaal $ 83.000,-- aan [naam 1] betaald. Op enig moment is hij gestopt met betalen. [naam 1] heeft zich toen tot [naam 3] , directeur van onderaannemer Windward Roads, gewend voor een constructie voor de betaling van het resterende bedrag door [naam 2] .
Beoordeling
Primair wordt verdachte verweten dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke omkoping. Dat verwijt acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. In het navolgende zal de rechtbank beoordelen of verdachte opdracht heeft gegeven tot of feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] plegen van ambtelijke omkoping.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]
Hiervoor is vastgesteld dat [medeverdachte 2] een handelsentiteit was van [medeverdachte 1] en dat er operationeel geen onderscheid bestond tussen beide vennootschappen. De rechtbank zal dat onderscheid ook niet maken en merkt op dat wat in het navolgende overwogen wordt ten aanzien van [medeverdachte 1] ook geldt ten aanzien van [medeverdachte 2] , en andersom.
De tenlastelegging
Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 177, eerste lid (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) omschreven strafbare feit. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging aldus dat daarin zowel sub 1 als sub 2 van artikel 177 (oud), eerste lid, Sr is opgenomen, in die zin dat:
an [naam 1] een gift van $ 860.000,-- is aangeboden, met het oogmerk om [naam 1] te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht iets te doen, te weten het gunnen van een overheidscontract met betrekking tot de aanleg van de ‘Simpson Bay Causeway Bridge’ aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ;
aan [naam 1] een gift van $ 83.000,-- is gedaan, ten gevolge of naar aanleiding van wat door [naam 1] in strijd met zijn plicht is gedaan, te weten het gunnen van een overheidscontract met betrekking tot de aanleg van de ‘Simpson Bay Causeway Bridge’ aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] .
Uit de tenlastelegging volgt voorts het verwijt dat aan [naam 1] een gift is gedaan dan wel aangeboden, met het oogmerk hem te bewegen vanuit zijn functie als Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuurvoornoemd overheidscontract aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te gunnen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam 1] als Minister van VROMI niet de bevoegdheid had om de gunningsbeslissing te nemen, en dat het tenlastegelegde in zoverre niet kan worden bewezenverklaard. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van (beoogd) handelen door een ambtenaar in zijn bediening, zoals bedoeld in artikel 177 (oud) Sr, is niet vereist dat de betreffende ambtenaar in beginsel tot de handeling bevoegd was, maar dat zijn functie hem tot het verrichten van de verlangde handeling in staat stelt. De rechtbank zal in het navolgende dan ook beoordelen of [naam 1] vanuit zijn functie als Minister in staat is geweest om de gunningsbeslissing te nemen.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 2] en [naam 3]
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [naam 2] onbetrouwbaar zijn, omdat [naam 2] er – kort gezegd – als kroongetuige en op basis van zijn consultancy-overeenkomst met [medeverdachte 1] belang bij had om belastend over [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te verklaren. Ook ten aanzien van de verklaringen van [naam 3] heeft de verdediging aangevoerd dat deze onbetrouwbaar zijn. De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe het volgende.
Het feit dat [naam 2] als kroongetuige verklaringen heeft afgelegd, geeft aanleiding om die verklaringen met behoedzaamheid te beoordelen. De verklaringen van een kroongetuige moeten immers een meerwaarde hebben in het strafrechtelijk onderzoek.
[naam 2] heeft een groot aantal verklaringen afgelegd. Na het maken van afspraken met het Openbaar Ministerie, is [naam 2] gedetailleerd en belastend over [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gaan verklaren. De rechtbank constateert dat [naam 2] in die verklaringen op hoofdlijnen consistent heeft verklaard en dat hij ook zichzelf heeft belast. De verklaringen van [naam 2] staan in het dossier niet op zichzelf, maar worden ondersteund door de verklaringen van anderen. Zo heeft ook [naam 3] verklaard over de deal van [naam 2] met [naam 1] en dat [naam 2] een deel van zijn fee van [medeverdachte 1] doorbetaalde aan [naam 1] . Daarnaast heeft [naam 9] , destijds werkzaam bij [bedrijf 7] B.V. (een van de aannemingsbedrijven die uitgenodigd waren om in te schrijven op de bouw van de Brug) in algemene zin verklaard dat bouwbedrijven [naam 1] betaalden om een opdracht gegund te krijgen. In dit verband is tevens van belang dat de voorgenomen overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en [naam 2] door de rechter-commissaris te Sint Maarten is getoetst en als rechtmatig is geoordeeld. Ook heeft de rechter-commissaris de getuige [naam 2] en diens verklaringen als betrouwbaar geoordeeld.
De rechtbank acht de verklaringen van [naam 2] op basis van deze overwegingen betrouwbaar. Dat zowel [naam 2] als [naam 3] tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris van de rechtbank Overijssel niet meer precies weten wat er jaren eerder in gesprekken of tijdens vergaderingen is gezegd of wie daarbij aanwezig zijn geweest, maakt hun verklaringen niet onbetrouwbaar. Ook de verklaringen van [naam 3] zijn op hoofdlijnen consistent en vinden steun in de rest van het dossier. De rechtbank zal de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] gebruiken voor het bewijs.
Het formele en informele circuit
De verdediging heeft betoogd dat de gunningsbeslissing is genomen door SLAC en dat [naam 1] formeel noch feitelijk een bepalende stem had bij de aanbesteding.
Uit het dossier volgt dat bij de aanbesteding een formele procedure werd gevolgd. SLAC was verantwoordelijk voor de aanbesteding en formeerde een bouwteam en verschillende subteams. De ingediende offertes werden beoordeeld aan de hand van een puntensysteem. In de evaluaties is aan de hand van dat puntensysteem onderbouwd met welke aannemer(s) het proces zou worden voortgezet.
Uit het dossier volgt echter ook dat, buiten de formele procedure om, de machtsverhoudingen feitelijk anders lagen. Uit de verklaringen van [naam 2] , [naam 3] , [naam 10] (destijds werkzaam bij [bedrijf 5] N.V.) en [naam 9] volgt dat [naam 1] veel invloed had op het eiland, dat hij [naam 4] aanstuurde en dat bouwbedrijven [naam 1] geld betaalden om opdrachten gegund te krijgen.
Dat [naam 1] debelangrijke factor was in de aanbesteding, blijkt ook uit e-mails van [naam 6] . Op 21 december 2009 mailde hij aan [naam 11] : ‘Try to enhance it to a fine looking bridge which [naam 1] will like (important factor)’.En op 17 februari 2010: ‘I think this will give us an edge over the other companies and highly impress Comm. [naam 1]’. Op 25 februari 2010 berichtte Walls aan [naam 6] : ‘We think that this concept would get the attention of Commissioner [naam 1] and differentiate us from the other contractors’.
Verder werd [naam 1] door [medeverdachte 1] betrokken bij de samenstelling van de local content(belangrijke beoordelingsfactor) en liet zij hem kennelijk invloed uitoefenen op met wie [medeverdachte 1] samen zou werken in het project, ten koste van de eigen contractsvrijheid. [naam 1] werd (via zijn privé e-mailadres) op de hoogte gehouden van de toelichting die [medeverdachte 1] in de tweede ronde gaf, naar aanleiding van de vragen over de local involvement. Ook stond [naam 1] bovenaan het lijstje van [medeverdachte 1] van personen die zij in het kader van de aanbesteding wilde ontmoeten.
In de eerder genoemde e-mail van [naam 5] van 27 maart 2010 berichtte hij aan onder andere [naam 6] en [verdachte] dat hij had gehoord dat geadviseerd zou worden om verder te gaan met [medeverdachte 1] en: ‘ [naam 1] and [naam 4] will have the final decision’.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de aanbestedingsprocedure met betrekking tot de Brug formeel onder de verantwoordelijkheid van SLAC viel en uitgevoerd werd door het bouwteam, maar dat de gunningsbeslissing feitelijk werd genomen door [naam 1] . Hoewel de beslissingsbevoegdheid over de gunningsbeslissing formeel niet bij [naam 1] lag, had [naam 1] feitelijk veel invloed en gebeurde er niets zonder zijn goedkeuring. Zijn invloed reikte ook tot in het bouwteam, nu [naam 1] [naam 4] aanstuurde en [naam 4] als CEO van de Haven deel uitmaakte van het bouwteam.
[naam 1] was vanuit zijn functie als Minister, de vertegenwoordiger van de aandeelhouder en had ook op die wijze invloed op het gehele proces,
De rechtbank stelt dan ook vast dat [naam 1] vanuit zijn functie als Minister in staat was de gunningsbeslissing te nemen, ook al had hij formeel die bevoegdheid niet.
Dat de uiteindelijke gunningsbeslissing door [naam 1] en [naam 4] zou worden genomen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niets anders dan dat [naam 1] die beslissing vanuit zijn functie als Minister nam. Het is niet een vereiste dat [naam 1] krachtens zijn ambt tot de verlangde diensten bevoegd was, maar alleen dat zijn ambt hem daartoe (vanuit zijn functie) in staat stelt. Daarvan is hier naar het oordeel van de rechtbank sprake.
[naam 1] had als Minister de plicht om integer te handelen, daarbij neutraal te werk te gaan en niet aan anderen een persoonlijke voorkeurspositie toe te kennen Op grond van de vaststellingen door de rechtbank, komt de rechtbank tot het oordeel dat [naam 1] dit alles niet heeft gedaan en daarmee in strijd met zijn plicht heeft gehandeld.
Tussenconclusie
Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden en de voorgaande overwegingen van de rechtbank, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam 1] vanuit zijn functie als Minister van VROMI het overheidscontract met betrekking tot de bouw van de Brug aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft gegund. Zoals hierboven al vermeld was men zich bij [medeverdachte 1] er ook sterk van bewust dat de wil en wensen van [naam 1] belangrijk en bepalend waren en wist men dat [naam 1] de uiteindelijke beslissing nam. [naam 1] werd gedurende de gehele aanbestedingsprocedure op de hoogte gehouden van de inbreng van [medeverdachte 1] en leverde daar ook input aan.
[naam 2] heeft verklaard dat hij [naam 1] voor deze gunning aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een deel van zijn consultancy fee moest betalen en heeft betaald.
[naam 2] heeft aan [naam 1] een gift beloofd, met het oogmerk [naam 1] te bewegen tot het gunnen van een overheidscontract met betrekking tot de ‘Simpson Bay Causeway Bridge’ aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] . Nadat de opdracht tot de bouw van de Brug aan [medeverdachte 1] was gegund, heeft [naam 2] $ 83.000,-- aan [naam 1] betaald.
De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wisten van de (belofte van een) gift door [naam 2] aan [naam 1] , en of sprake is van een verband met de beoogde tegenprestatie.
Wetenschap [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over de doorbetaling
[medeverdachte 1] heeft op 4 november 2010 met [naam 2] een consultancyovereenkomst gesloten waarin staat dat hij tegen betaling van 2,5% van de aanneemsom, kort samengevat, de volgende werkzaamheden zal verrichten:
a. a) Ondersteuning bieden met betrekking tot inkoop van goederen, diensten en materialen uit hoofde van het contract.
b) Het helpen bij het verkrijgen van benodigde werkvergunningen en overige benodigde documenten.
c) Alle noodzakelijke douaneafhandelingen coördineren, waaronder opstellen en overleggen van documenten bij havens van binnenkomst.
d) Zorgen voor specifieke ministeriële vergunningen voor import en export.
e) [medeverdachte 1] voorstellen aan deskundigen voor advies inzake onder andere technische en fiscale kwesties.
f) Ondersteuning bieden bij werving van plaatselijke arbeidskrachten.
g) Ondersteuning bieden bij het zoeken/onderhandelen met onderaannemers.
h) Administratie bijhouden van alle door hem verrichte handelingen.
i. i) Het verrichten van alle redelijke inspanningen om de belangen en status van [medeverdachte 1] te behartigen en getrouw en zorgvuldig die taken verrichten die nodig zijn voor de leveringen van de diensten.
Uit het onderzoek is niet gebleken dat [naam 2] een van deze werkzaamheden heeft verricht.
In het dossier bevindt zich slechts één e-mail van [naam 2] die zou kunnen worden aangemerkt als werkzaamheid van [naam 2] ten behoeve van [medeverdachte 1] , zij het dat deze niet valt onder de in de overeenkomst genoemde werkzaamheden. [1]
[verdachte] , de bestuurder van [medeverdachte 1] , heeft verklaard dat [naam 2] [medeverdachte 1] moest voorzien van informatie over wat op Sint Maarten speelde en dat [naam 2] [medeverdachte 1] moest promoten op het eiland. Hij verklaarde: de som is wellicht hoog, maar de looptijd is lang.
De rechtbank overweegt dat [verdachte] geen concrete zaken kan benoemen die [naam 2] heeft aangedragen of werkzaamheden die [naam 2] heeft verricht. Daarbij komt dat de consultancy-overeenkomst pas op 4 november 2010 is ondertekend, op dezelfde dag dat het Design & Construction Contractis ondertekend. Op dat moment was de bouw van de Brug al aan [medeverdachte 1] gegund, zodat lobbywerkzaamheden van [naam 2] niet meer nodig waren, terwijl een beloning voor eventuele lobbywerkzaamheden in de overeenkomst in het geheel niet zijn omschreven. Verder overweegt de rechtbank dat de consultancy-overeenkomst met [naam 2] werd gesloten op naam van zijn Panamese offshore company[bedrijf 1] [medeverdachte 1] heeft geen onderzoek gedaan naar de integriteit van zowel [naam 2] als [bedrijf 1] en heeft ook niet gecontroleerd of [naam 2] handelde conform de in de consultancy-overeenkomst omschreven werkzaamheden en voorwaarden.
De rechtbank stelt dan ook vast dat [naam 2] (nagenoeg) geen van de overeengekomen werkzaamheden heeft verricht voor [medeverdachte 1] terwijl [medeverdachte 1] hem via zijn Panamese (offshore) vennootschap wel € 1.065.524,25 betaalde.
[naam 2] heeft verklaard dat hij [naam 5] en [naam 6] heeft ingelicht over de doorbetaling van een deel van zijn fee aan [naam 1] , op het moment dat de consultancy-overeenkomst in concept werd opgemaakt. Dat concept werd eind januari 2010 al door [naam 6] aan [naam 2] gestuurd. In maart 2010 stonden [naam 1] en [naam 2] bovenaan het lijstje van mensen die [medeverdachte 1] in het kader van de aanbesteding wilde ontmoeten.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 1] wist dat [naam 2] (een deel van) de fee zou doorbetalen aan [naam 1] , en dat de consultancy-overeenkomst er slechts toe diende om de betaling van die fee boekhoudkundig te rechtvaardigen.
Verband tussen de belofte/gift en de beoogde of reeds gegeven tegenprestatie
Voor een bewezenverklaring van omkoping moet er een verband tussen de belofte danwel gift en de beoogde of reeds gegeven tegenprestatie komen vast te staan. Voor zover het tenlastegelegde is gestoeld op artikel 177 lid 1 subPro 1 Sr, betekent dat dat er sprake moet zijn van ‘het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten’.
Voor zover het tenlastegelegde is gestoeld op artikel 177 lid 1 subPro 2 Sr, moet sprake zijn van een gift ‘ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten’.
Of sprake is van een verband tussen de gift en de tegenprestatie hangt af van alle omstandigheden, waaronder de omvang en eventuele frequentie van de giften, de aard en de uiterlijke verschijningsvorm ervan, het moment waarop de giften zijn gedaan, de positie van [naam 1] en de overige feiten en omstandigheden van en rondom de gift [2] .
Gelet op de handelwijze van [medeverdachte 1] en [naam 2] rondom de inhoud, totstandkoming en ondertekening van de consultancy-overeenkomst, de wetenschap van [medeverdachte 1] van de niet verrichte werkzaamheden door [naam 2] en de wetenschap van [medeverdachte 1] dat [naam 1] de gunningsbeslissing nam, acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 1] niet alleen wist van de doorbetaling van (een deel van) de fee aan [naam 1] , maar ook dat het haar bedoeling was om met die belofte en die betalingen de gunning van het bouwcontract aan [medeverdachte 1] / [medeverdachte 2] te bewerkstelligen. De e-mail van 30 juni 2013
van [naam 1] aan [naam 5] en [naam 3] is hiervoor tekenend. Hij stuurt:
“All that was promised from my side was done before my departure from Govt. I do hope that the 2 of you at least keep the promise of how the project will look.”
Het verband tussen de gift en de beoogde of reeds gegeven tegenprestatie acht de rechtbank dan ook bewezen.
Toerekening aan de rechtspersoon
Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het voor de beantwoording van de vraag of een gedraging redelijkerwijs aan een rechtspersoon kan worden toegerekend van belang om vast te stellen of deze gedraging is verricht in de sfeer van die rechtspersoon. [3] Van zo een gedraging is sprake als zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen:
het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het uitgeoefende bedrijf;
de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
De verdediging heeft aangevoerd dat [naam 2] weliswaar ‘uit anderen hoofde’ werkzaam was voor de rechtspersoon, maar dat het doen van betalingen aan derden niet viel onder de werkzaamheden die [naam 2] mocht verrichten en dat zijn handelen daarom niet aan [medeverdachte 1] kan worden toegerekend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verwerpt de rechtbank dat verweer. [medeverdachte 1] wist dat [naam 2] (een deel van) de betalingen die hij van [medeverdachte 1] ontving doorbetaalde aan [naam 1] . Dat betekent eveneens dat [medeverdachte 1] beschikkingsmacht heeft gehad over de gedragingen van [naam 2] en dat zij deze heeft aanvaard.
De gedraging is [medeverdachte 1] ook dienstig geweest, nu [medeverdachte 1] de opdracht tot de bouw van de Brug verkregen heeft.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de tenlastegelegde gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden en dat deze aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kunnen worden toegerekend.
Medeplegen
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan de omkoping van [naam 1] , in nauwe en bewuste samenwerking met [naam 2] . [naam 2] heeft de daadwerkelijke betalingen verricht, met het geld dat hij kreeg van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wisten welk percentage van de fee aan [naam 1] zou worden betaald. Dat doet echter niet af aan het oordeel dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een onmisbare bijdrage hebben geleverd aan het plegen van het tenlastegelegde feit.
Feitelijke leidinggeven
Verdachte was bestuurder van [medeverdachte 1] . In die hoedanigheid heeft hij de consultancy-overeenkomst met [bedrijf 1] ondertekend. Op het moment van ondertekenen waren de belangrijkste werkzaamheden door [naam 2] al verricht, zo verklaarde verdachte. Zoals reeds overwogen kwamen de feitelijke werkzaamheden van [naam 2] , voor zover die er waren, niet overeen met de in de overeenkomst omschreven werkzaamheden.
Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft verdachte geen onderzoek gedaan naar de integriteit van [naam 2] of [bedrijf 1] Ook heeft hij niet gecontroleerd of [naam 2] werkzaamheden verrichte en of de werkzaamheden die [naam 2] verrichtte, binnen de reikwijdte van de overeenkomst vielen, terwijl hij zich er wel van bewust was dat men bij projecten in een land als Sint Maarten beducht moest zijn voor corruptie. De rechtbank is van oordeel dat, door onder deze omstandigheden een overeenkomst met [naam 2] te sluiten, terwijl [naam 2] zijn werkzaamheden niet administreerde en verdachte de verrichte werkzaamheden niet controleerde, verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat (een deel van) de fee zou worden aangewend om iemand om te kopen.
[verdachte] had daarnaast een commerciële en operationele rol bij [medeverdachte 2] en ondertekende in zijn hoedanigheid van Managing Director de overeenkomst met SLAC.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gepleegde strafbare feit.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , tezamen en in vereniging met [naam 2] , een geldbedrag hebben beloofd aan [naam 1] , met het oogmerk hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, het overheidscontract met betrekking
tot de aanleg van de ‘Simpson Bay Causeway Bridge’ op Sint Maarten aan hen te gunnen, en dat zij $ 83.000,-- aan [naam 1] hebben betaald, naar aanleiding van het gunnen van dat overheidscontract. Verder acht de rechtbank bewezen dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan deze strafbare gedragingen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
[medeverdachte 1] B.V. ( [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] N.V. ( [medeverdachte 2] ) in de periode van 16 november 2009 tot en met 11 maart 2014 in Nederland en/of Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander, eenmaal,
een buitenlandse ambtenaar, te weten [naam 1] , werkzaam als Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ontwikkeling Milieu en Infrastructuur (VROMI) en/of Gedeputeerde en/of lid van de Staten van Sint Maarten,
telkens - via [bedrijf 1] en/of [naam 2] - een gift(en) en een belofte– afkomstig van [medeverdachte 1] B.V. en/of [medeverdachte 2] N.V. hebben gedaan en/of aangeboden,
welke gift en belofte aan die [naam 1] hebben bestaan uit
- enig geldbedrag, en
- contante geldbedragen van in totaal USD 83.000,-,
telkens met het oogmerk om die buitenlandse ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen,
en
telkens ten gevolge of naar aanleiding van wat door die buitenlandse ambtenaar in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan,
te weten het vanuit zijn functie als Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ontwikkeling Milieu en Infrastructuur (VROMI) en/of Gedeputeerde en/of lid van de Staten van Sint Maarten het gunnen van een overheidscontract met betrekking tot de aanleg van de ‘Simpson Bay Causeway Bridge’ op Sint Maarten aan het/de bouwbedrijf/bouwbedrijven [medeverdachte 1] B.V. en/of [medeverdachte 2] N.V.
aan bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 177 (oud) Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf: feitelijke leiding geven aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten
en
het misdrijf: feitelijke leiding geven aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.
5.De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6.De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete ter hoogte van € 17.500,--.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de op te leggen straf.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke leiding geven aan het omkopen van een ambtenaar op Sint Maarten.
Verdachte wist dat deze ambtenaar, [naam 1] veel invloed uitoefende op het eiland en dat hij voor het verkrijgen van de opdracht voor de bouw van de Brug op Sint Maarten afhankelijk was van de medewerking van [naam 1] .
Verdachte is namens [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met [naam 2] overeengekomen een fee te betalen, beweerdelijk in verband met door [naam 2] te verrichten consultancy-werkzaamheden. In werkelijkheid zou [naam 2] een deel van zijn fee doorbetalen aan [naam 1] , met de bedoeling [naam 1] ertoe te bewegen het overheidscontract met betrekking tot de bouw van de Brug op Sint Maarten aan verdachte te gunnen. Nadat het bouwproject aan [medeverdachte 1] gegund was, heeft [medeverdachte 1] de fee aan [naam 2] betaald en die daarvan een deel heeft doorbetaald aan [naam 1] . De betaalde fee aan [naam 2] en [naam 1] was verdisconteerd in de aanneemsom voor de brug, zodat niet [medeverdachte 1] zelf de kosten droeg van deze omkoping, maar deze kosten in rekening bracht bij de overheid van Sint Maarten en [medeverdachte 1] dus uiteindelijk de bevolking van Sint Maarten heeft gedupeerd.
Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen de concurrentiepositie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verbeterd ten koste van andere ondernemingen, maar hij heeft ook schade toegebracht aan het publiek vertrouwen in het openbaar bestuur en het objectief en zakelijk functioneren van ambtenaren.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 26 februari 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Gelet op de ernst van het bewezen feit acht de rechtbank in beginsel een taakstraf op zijn plaats. De rechtbank houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. In deze zaak is naar het oordeel van de rechtbank sprake van bijzondere omstandigheden, waaronder de complexiteit van het onderzoek en het overzeese karakter van de feiten. Ook heeft de rechter-commissaris onderzoekshandelingen verricht. De rechtbank is van oordeel dat voor de afdoening van deze zaak een langere termijn van vierenhalf jaar redelijk is. De redelijke termijn is aangevangen op 3 juli 2019, de dag waarop verdachte als verdachte is verhoord. Sindsdien is ongeveer zesenhalf jaar verstreken, wat betekent dat de redelijke termijn met twee jaar is overschreden. Rekening houdend met die overschrijding zal de rechtbank een geldboete opleggen, in plaats van een taakstraf.
Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete houdt de rechtbank rekening met het feit dat
de strafzaken tegen de medeverdachten [naam 5] en [naam 6] in 2025 zijn afgedaan met een strafbeschikking in de vorm van een geldboete van € 20.000,-- . De rechtbank overweegt dat op verdachte, als directeur van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , een grotere verantwoordelijkheid rustte om het strafbare feit te voorkomen dan wel te beëindigen, dan op [naam 5] en [naam 6] . Dat geeft aanleiding om aan verdachte een hogere geldboete op te leggen dan [naam 5] en [naam 6] hebben gekregen.
Alles afwegend acht de rechtbank een geldboete ter hoogte van € 30.000,-- passend.
7.De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 47, 51 Sr.
8.De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: feitelijke leiding geven aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten
en
het misdrijf: feitelijke leiding geven aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 30.000,-- (zegge: dertigduizend euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 158 (honderdachtenvijftig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, voorzitter, mr. H. Stam en
mr. A.S. Metgod, rechters, in tegenwoordigheid van mr E.L. Vedder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Buiten staat
Mr. H. Stam is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
1.Een e-mail van [naam 2] aan [naam 5] d.d. 7 december 2011 (DOC-192).