Eiseres verzocht de minister om herziening van de uitkomsten van de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en om een schadevergoeding na een afsluitende brief van de minister waarin werd meegedeeld dat zij niet in aanmerking kwam voor financiële tegemoetkoming. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het zou zien op onrechtmatig bestuurshandelen, waarvoor de civiele rechter bevoegd zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat de brief van 22 juli 2023 kwalificeert als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat de brief van 6 oktober 2023 als een bezwaarschrift moet worden aangemerkt. De termijnoverschrijding van 32 dagen wordt verschoonbaar geacht omdat de afsluitende brief geen rechtsmiddelenclausule bevatte en de juridische kwalificatie pas later duidelijk werd.
De minister heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en moet opnieuw op het bezwaar beslissen, inclusief de beoordeling van een mogelijke compensatie. De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.