ECLI:NL:RBOVE:2026:791

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
12021481 \ CV EXPL 25-3707
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:219 BWArt. 22 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens ernstige overlast en tekortkomingen huurder

De woningstichting Ons Huis vordert in kort geding de ontruiming van een woning die sinds 2019 wordt gehuurd door [gedaagde], vanwege ernstige en aanhoudende overlast en tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst. De overlast omvat geluidsoverlast, vernielingen, vermoedelijke drugproductie, prostitutie en gevaarlijke situaties zoals brandgevaar en lekkage. Diverse meldingen van omwonenden en betrokken hulpverleners onderbouwen deze klachten.

De bewindvoerder van [gedaagde] voert verweer en betwist enkele beschuldigingen, zoals de productie van drugs, maar erkent de vervuilde staat van de woning en de problematiek van [gedaagde], waaronder verslaving en psychische problemen. Hulpverleners geven aan dat het vinden van passende zorg en woonbegeleiding complex en tijdrovend is.

De kantonrechter oordeelt dat de tekortkomingen van [gedaagde] ernstig genoeg zijn om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming te rechtvaardigen. Tegelijkertijd weegt de rechter het belang van [gedaagde] bij het behouden van woonruimte en het doorlopen van een zorgtraject mee. Daarom wordt de ontruiming toegewezen, maar met uitstel tot 1 juli 2026 om de zorgverlening niet te belemmeren.

De bewindvoerder wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming toe met uitstel tot 1 juli 2026 vanwege de complexe zorgbehoefte van de huurder.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12021481 \ CV EXPL 25-3707
Vonnis in kort geding van 12 februari 2026
in de zaak van
de stichting
R.K. WONINGSTICHTING ONS HUIS,
gevestigd en kantoorhoudende in Enschede,
eisende partij, hierna te noemen: Ons Huis,
gemachtigde: mr. M. Douwenga,
tegen
de stichting
STICHTING CHRISTELIJKE SCHULDHULP, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[gedaagde],
gevestigd en kantoorhoudende in Enschede,
gedaagde partij, hierna te noemen: de bewindvoerder, respectievelijk [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A. aan het Rot.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 januari 2026;
- de aanvullende productie van Ons Huis;
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waar beide partijen een pleitnota hebben overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er is besproken.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt sinds 16 februari 2019 een woning aan de [adres] van Ons Huis. [gedaagde] heeft een minderjarige dochter, die op dit moment niet bij [gedaagde] woont.
2.2.
Gedurende de eerste jaren dat [gedaagde] in de woning woonde, ontving Ons Huis af en toe overlastmeldingen die toe te schrijven waren aan [gedaagde] . Vanaf eind 2024 heeft Ons Huis meer en ernstigere meldingen van omwonenden ontvangen.
2.3.
Op 12 december 2024 heeft Ons Huis vreemd gedrag en stank uit de woning van [gedaagde] geconstateerd. Ons Huis heeft een melding gedaan bij het meldpunt Zorgwekkend Gedrag van de GGD.
2.4.
Begin 2025 heeft [gedaagde] het raam van haar woning ingeslagen. Zowel Ons Huis als Arbe Dienstverlening, de begeleidster van [gedaagde] , kwamen niet bij [gedaagde] naar binnen of kregen geen contact met haar voor de reparatie van het raam.
2.5.
Op 6 mei 2025 heeft een omwonende bij Ons Huis geklaagd over geluidsoverlast door ruzies bij [gedaagde] en over de staat van de woning.
2.6.
Arbe Dienstverlening heeft zich in een Multidisciplinair Overleg (MDO) op 16 juni 2025 uitgesproken over de situatie van [gedaagde] en de staat van de woning. Arbe heeft het vermoeden uitgesproken dat er sprake is van productie van drugs, gelet op de aanwezigheid van ammoniak op het aanrecht, een kookpan, een temperatuurmeter, handschoenen en een tang.
2.7.
[gedaagde] heeft meerdere malen geweigerd om medewerkers van Ons Huis en Arbe binnen te laten in de woning, ook toen Ons Huis aangaf zich zorgen te maken over vervuiling van de woning, brandgevaar en gezondheidsrisico’s. Meerdere malen is Ons Huis (aangekondigd) voor een huisbezoek gekomen. Ook dan deed [gedaagde] de deur niet open.
2.8.
Op 19 juni 2025 heeft een omwonende bij Ons Huis gemeld dat hij heeft gezien dat er sprake is van prostitutie in de woning door [gedaagde] .
2.9.
Op 27 juni 2025 heeft een omwonende geklaagd over een week lang aanhoudende geluidsoverlast uit de woning van [gedaagde] .
2.10.
In de nacht van 17 op 18 juli 2025 is er bijna brand in de woning uitgebroken, doordat [gedaagde] een pan op het vuur had laten staan. Ons Huis werd door [gedaagde] niet in de gehele woning toegelaten. Ons Huis heeft wel een melding bij het meldpunt Vervuilde Woningen van de GGD gedaan.
2.11.
Zowel op 25 augustus 2025 als op 1 september 2025 is er een instellingenoverleg met onder andere Ons Huis, de politie, Arbe, en het wijkteam van de gemeente gehouden. In de verslagen van deze bijeenkomsten staat onder andere dat [gedaagde] GBH gebruikt, zichzelf prostitueert om aan geld voor drugs te komen en een gevaar is voor zichzelf en voor anderen. Ook blijkt uit de verslagen dat [gedaagde] open staat voor een vorm van begeleid wonen.
2.12.
Op 10 september 2025 heeft een omwonende gemeld dat er een vechtpartij tussen [gedaagde] en een buurman heeft plaatsgevonden.
2.13.
In september 2025 heeft Arbe een bedrijf ingeschakeld om de woning op te ruimen en afval af te voeren.
2.14.
In september 2025 heeft Ons Huis [gedaagde] een laatste kans aangeboden in de vorm van een “Allonge huurovereenkomst in het kader van een laatste kans met daarin gedragsaanwijzingen”. [gedaagde] heeft deze niet ondertekend.
2.15.
In de nacht van 16 op 17 oktober 2025 hebben de onderburen van [gedaagde] geklaagd over lekkage vanuit de woning van [gedaagde] . De monteur van de storingsdienst heeft één van de stoppengroepen van de onderburen veiligheidshalve uitgezet, omdat er water langs het stopcontact liep. De monteur heeft in een e-mail aan Ons Huis aangegeven dat hij ‘erg geschrokken’ is van hoe [gedaagde] leeft en dat hij ‘veel ellende’ in de woning zag. Volgens de monteur verklaarde [gedaagde] dat de diepvries stuk was en daardoor aan het ontdooien was.
2.16.
Op 13 november 2025 heeft een bezoeker van [gedaagde] de auto van een omwonende vernield.
2.17.
Op 20 november 2025 heeft Ons Huis een melding ontvangen dat een bezoeker van [gedaagde] een omwonende heeft bedreigd. Diezelfde dag heeft een medewerker van Ons Huis hevige stank in de woning geconstateerd. Volgens de medewerker kwam er een man genaamd [naam 1] de woning uit. Diezelfde avond heeft deze [naam 1] met een hamer de woning van een buurman aangevallen en daarmee de voordeur vernield. Daarna heeft deze [naam 1] met de hamer de deur van [gedaagde] ingeslagen. De buurman heeft bij Ons Huis melding gemaakt van de overlast en hij heeft aangifte gedaan van bedreiging met de dood en vernieling. Ook twee andere omwonenden hebben die dag ernstige overlast bij Ons Huis gemeld. Andere buren hebben bij Ons Huis gemeld dat het dat hele weekend onrustig is geweest in de straat. Ons Huis heeft enkele omwonenden in een hotel onderbracht. Zij zijn later met behulp van Ons Huis met voorrang verhuisd naar een andere woning.
2.18.
In het verslag van het instellingenoverleg van 24 november 2025 is opgenomen dat de hele woning van [gedaagde] wederom vervuild is en overhoop ligt. In de dagen daarna hebben de wijkcoach en de (toen nog aan te stellen) mentor van [gedaagde] geprobeerd om [gedaagde] opgenomen te krijgen.
2.19.
Op 26 november 2025 heeft de gemachtigde van Ons Huis [gedaagde] aangeschreven en een ontruimingsprocedure aangekondigd, tenzij [gedaagde] zelf de huur opzegt.
2.20.
Op 30 november 2025 heeft Ons Huis gezien dat er een gripzakje voor drugs bij [gedaagde] voor de deur lag.
2.21.
Per december 2025 is de heer [naam 2] van Stuiver Beschermingsbewind aangesteld als mentor van [gedaagde] .
2.22.
Op 8 december 2025 kon [gedaagde] bij Tactus Verslavingszorg terecht. Zij is er diezelfde avond weer uitgezet. Uit het verslag van het instellingenoverleg van 9 december 2025 blijkt dat [gedaagde] heeft aangegeven nog steeds opgenomen te willen worden. Op 17 december 2025 kon [gedaagde] opnieuw bij Tactus terecht. Zij heeft daar twee weken doorgebracht. Op 31 december 2025 is [gedaagde] weer teruggekeerd naar haar woning.
2.23.
Medewerkers van Arbe mogen de woning van [gedaagde] niet meer betreden in verband met hun veiligheid. Per februari 2026 is er een andere zorgorganisatie die [gedaagde] zes uur per week begeleiding biedt.

3.Het geschil

3.1.
Ons Huis vordert dat de kantonrechter de bewindvoerder veroordeelt om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen, in goede staat op te leveren en ontruimd te houden, met veroordeling van de bewindvoerder in de proceskosten.
3.2.
De bewindvoerder heeft ter zitting verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Ons Huis in de proceskosten en de nakosten, althans met compensatie van de proceskosten.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing daarvan is nodig dat Ons Huis bij haar vordering een spoedeisend belang heeft. Naar het oordeel van de kantonrechter is het spoedeisend belang voldoende aannemelijk geworden. Ons Huis heeft voldoende onderbouwd dat de (gestelde) overlast ernstige vormen aanneemt en dat zij schade lijdt door vernieling van het gehuurde en doordat zij de woning naast de woning van [gedaagde] niet kan verhuren, zodat van haar niet kan worden gevergd de situatie te laten voortduren terwijl de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht.
Toetsingskader
4.2.
Ons Huis vraagt in dit kort geding aan de kantonrechter om met spoed een beslissing te nemen over de gevraagde ontruiming. Ontruiming van een woning is een zeer ingrijpende maatregel. Een vordering tot ontruiming in kort geding kan alleen worden toegewezen als met een grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden met als gevolg dat het gehuurde zal moeten worden ontruimd. Daarom zal de kantonrechter volgens artikel 6:265 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) moeten beoordelen of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en of die tekortkoming zodanig ernstig is dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, gelet op de gevolgen voor [gedaagde] , gerechtvaardigd zijn.
Tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst
4.3.
Ons Huis stelt dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van haar huurrechtelijke verplichtingen, zoals het goed huurderschap, de verplichting om het gehuurde te onderhouden zoals een goed huurder betaamt en de verplichting om schade aan het gehuurde te voorkomen. [gedaagde] schendt deze verplichtingen door:
  • de woning ernstig te beschadigen en te vervuilen en daarmee de woning niet te onderhouden zoals van een goed huurder mag worden verwacht;
  • structurele en ernstige overlast te veroorzaken door onder andere hard geschreeuw, bedreiging en vernieling van eigendommen van omwonenden;
  • drugs te gebruiken en vermoedelijk te produceren in de woning;
  • de woning zonder toestemming van Ons Huis aan derden in gebruik te geven;
  • ernstige incidenten, zoals een vechtpartij met een omwonende en het (bijna) veroorzaken van brand en lekkage;
  • zich vanuit het gehuurde te prostitueren, wat naast strijd met het goed huurderschap ook in strijd is met de woonbestemming van het gehuurde.
4.4.
[gedaagde] , althans de bewindvoerder, heeft niet betwist dat de woning ernstig vervuild is. Ter zitting is duidelijk geworden dat de woning bewoonbaar is in die zin dat er nog gelopen kan worden en dat er nog een bank staat waar enigszins op kan worden geslapen. [gedaagde] heeft twee katten. Weliswaar hebben de hulpverleners van [gedaagde] aangegeven dat de uitwerpselen van de katten niet (meer) op de grond van de woning liggen, maar is dat eerder wel voorgekomen. Dat onder andere daaruit stankoverlast voortkomt, wordt door de bewindvoerder en [gedaagde] niet weersproken. Ook is duidelijk geworden dat [gedaagde] niet in staat is om de woning zelf op orde te houden: in september 2025 is de woning professioneel schoongemaakt en twee maanden later was de woning opnieuw ernstig vervuild, zo blijkt uit het verslag van het instellingenoverleg van november 2025. [gedaagde] erkent dat zelf ook.
4.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter is gelet op deze toestand van de woning ook voldoende aannemelijk geworden dat er schade aan de woning is ontstaan. Daarnaast staat als onweersproken vast dat een bezoeker van [gedaagde] , genaamd [naam 1] , schade aan de voordeur heeft toegebracht door daar met een hamer op in te slaan. Ook voor die gedragingen is [gedaagde] aansprakelijk (op grond van artikel 7:219 BW Pro).
4.6.
Wat betreft de bedreiging en vernieling van eigendommen van omwonenden hebben de bewindvoerder en [gedaagde] aangevoerd dat nu de overlast en vernielingen zijn veroorzaakt door bezoekers van [gedaagde] , [gedaagde] daarvoor op grond van rechtspraak van de Hoge Raad [1] niet verantwoordelijk kan worden gehouden, omdat het gaat om gedragingen van derden die buiten het gehuurde hebben plaatsgevonden en niet om schade aan het gehuurde.
Naar het oordeel van de kantonrechter geldt inderdaad dat [gedaagde] op zich niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de vernieling en de bedreiging die haar bezoekers buiten het gehuurde plegen, maar moet het wel aan [gedaagde] worden aangerekend dat zij deze personen in haar woning en in haar omgeving toelaat. Dat deze bezoekers van [gedaagde] ‘ongure types’ zijn, zoals Ons Huis het omschrijft, heeft [gedaagde] namelijk niet weersproken. Het mocht voor [gedaagde] dan ook geen verrassing zijn dat deze bezoekers ongewenst gedrag vertonen. Niet de gedragingen op zich, maar wel het toelaten van deze personen kan [gedaagde] dus als eigen tekortkoming worden aangerekend. Verder is als onweersproken vast komen te staan dat, wanneer [gedaagde] bezoek heeft, vaak sprake is van geschreeuw en ruzies.
4.7.
[gedaagde] heeft erkend dat zij drugs gebruikt. Zij is verslaafd (geweest) aan GHB en crack en gebruikt dat naar eigen zeggen nu nog af en toe, maar niet meer in de woning. Dat [gedaagde] in de woning GHB heeft geproduceerd, betwist zij stellig. Hoewel Ons Huis een verslag van een overleg op 16 juni 2025 heeft overgelegd waarin staat dat Arbe het vermoeden van het produceren van GHB heeft geuit, blijft het wel enkel bij een vermoeden. Er zijn geen andere aanwijzingen voor dit verwijt. Gelet op de betwisting van [gedaagde] is het produceren van GHB onvoldoende aannemelijk geworden en dit kan dan ook niet als op zichzelf staande tekortkoming van [gedaagde] worden aangenomen.
4.8.
Wat betreft de brand en de lekkage overweegt de kantonrechter dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat deze zijn veroorzaakt door het onder invloed zijn van drugs van [gedaagde] , maar is wel voldoende aannemelijk geworden dat deze worden veroorzaakt door de (hulpbehoevende) toestand van [gedaagde] . Het vaker voorkomen van dit soort incidenten kan dan ook als tekortkoming in de nakoming van huurrechtelijke verplichtingen (zoals het goed huurderschap) worden aangemerkt. De stelling van de bewindvoerder dat deze incidenten niet aan [gedaagde] toerekenbaar zijn, staat, wat daar ook van zij, niet in de weg aan een (eventuele) ontbinding vanwege dergelijke tekortkomingen van [gedaagde] . Voor ontbinding van een (huur)overeenkomst is immers niet vereist dat de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst toerekenbaar is.
4.9.
Wat betreft het verwijt van Ons Huis dat [gedaagde] zichzelf prostitueert in de woning, overweegt de kantonrechter het volgende. Ons Huis heeft de verklaring van een omwonende en een audiofragment, waaruit van prostitutie door [gedaagde] blijkt, en het verslag van het instellingenoverleg van 1 september 2025, waarin staat dat er filmpjes zijn van prostitutie door [gedaagde] , in het geding gebracht. Daarnaast heeft [gedaagde] volgens Ons Huis tegenover hen erkend dat sprake is geweest van prostitutie. Gelet daarop heeft [gedaagde] onvoldoende kunnen weerspreken dat zij zichzelf heeft geprostitueerd. Naar het oordeel van de kantonrechter is ook dit verwijt voldoende aannemelijk geworden en dit levert naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dan ook een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst op.
4.10.
Dat [gedaagde] de woning in gebruik heeft gegeven aan derden, is onvoldoende aannemelijk geworden en kan dan ook niet aan een eventuele (ontbinding en) ontruiming ten grondslag worden gelegd. Na de eerste (poging tot) opname van [gedaagde] in december 2025 was een vrouw in de woning van [gedaagde] aanwezig, maar gesteld noch gebleken is dat de vrouw langdurig in de woning aanwezig is geweest of dat het in gebruik geven aan derden vaker is voorgekomen.
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] naar voorlopig oordeel van de kantonrechter op verschillende manieren ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. De vraag is of dat in dit geval in een bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst tot gevolg zou hebben en in deze procedure tot ontruiming van de woning moet leiden.
Rechtvaardigen de tekortkomingen de ontruiming van de woning?
4.12.
Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Deze rechtsregel brengt tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op ontbinding van de overeenkomst in een bodemprocedure en in dit kort geding de ontruiming van het gehuurde. Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding van deze huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd zijn, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. [2]
4.13.
Ons Huis heeft gesteld dat sprake is van zodanig ernstige tekortkomingen dat voortzetting van de huurovereenkomst niet van haar kan worden gevergd. De overlast is zodanig dat zij zelfs is overgegaan tot het tijdelijk onderbrengen van omwonenden in een hotel. Ons Huis komt daarmee op voor de belangen van omwonenden, die ook een woning huren van Ons Huis, en die door de overlast van [gedaagde] worden gestoord in hun woongenot. Die feitelijke stoornis van het woongenot levert voor die huurders een gebrek aan het gehuurde op wanneer Ons Huis geen gebruik zou maken van haar bevoegdheid om tegen deze overlast op te treden, waardoor Ons Huis tegenover die omwonenden zou tekortschieten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomsten met deze omwonenden.
Verder komt Ons Huis op voor haar eigen financiële belang. Dat belang wordt geschaad doordat de woning van [gedaagde] is beschadigd en vernield, en doordat Ons Huis omwonenden in een hotel heeft moeten onderbrengen en vervolgens met voorrang heeft moeten verhuizen naar een andere woning. Volgens Ons Huis kan één van de woningen nog steeds niet worden verhuurd in verband met de overlast die [gedaagde] veroorzaakt. Er is inmiddels rond de € 20.000,00 schade geleden, aldus Ons Huis.
4.14.
Tegenover de belangen van Ons Huis staan de belangen van [gedaagde] . Het gaat daarbij ten eerste om haar belang bij een woonruimte. Bij een ontruiming van de woning komt [gedaagde] op straat te staan. [gedaagde] en de hulpverleners hebben toegelicht dat daarmee haar toekomst op het spel staat. [gedaagde] heeft erkend dat zij verslaafd is geweest aan GHB en dat zij nog steeds GHB en crack gebruikt. Een dergelijke verslaving is niet eenvoudig te verhelpen. Daarnaast spelen er psychische problemen. Dit zorgt voor problemen voor [gedaagde] en haar (woon)omgeving. [gedaagde] heeft ter zitting aangegeven dat zij weet dat zij niet alleen kan functioneren en dringend hulp nodig heeft. Ze wil graag begeleid wonen en voor die tijd (gedwongen) worden opgenomen en worden behandeld. De hulpverleners die betrokken zijn bij [gedaagde] , waaronder de mentor en de wijkcoach, zijn hard aan het werk om een geschikte plek voor [gedaagde] te vinden. Door de manier waarop het zorgsysteem is ingericht, lukt dat niet binnen enkele weken of maanden. De hulpverleners geven aan hier zes maanden voor nodig te hebben. De hulpverleners hebben verder verklaard dat zij de grip op [gedaagde] ‘kwijt’ zullen zijn wanneer zij haar woning verliest. Zonder woning heeft [gedaagde] geen kans meer op deze hulp en zonder behandeling zal het probleem van [gedaagde] voortduren, verergeren en zich verplaatsen.
4.15.
De kantonrechter merkt op deze plaats op dat in artikel 22 van Pro de Grondwet is bepaald dat zowel de bevordering van de volksgezondheid als de bevordering van voldoende woongelegenheid tot de zorgtaken van de overheid behoort. Deze en vele andere procedures laten zien dat het bijzonder lastig is voor iemand met complexe (multi)problematiek om een geschikte woonplek en een geschikt zorgaanbod te vinden. De vele hulpverleners die bij [gedaagde] betrokken zijn, hebben daarover tijdens de mondelinge behandeling in dit kort geding verklaard dat zij in dit systeem constant ‘tegen een muur aanlopen’. Voor een zorgmachtiging komt [gedaagde] niet in aanmerking, omdat zij (nu) meewerkt en daardoor de situatie voor een zodanige maatregel niet ernstig genoeg is. Om bij een Zorggroep terecht te kunnen, is de problematiek van [gedaagde] te complex. Om in aanmerking te komen voor begeleid wonen moet [gedaagde] eerst een indicatie hebben, en om die te krijgen moeten er eerst (onder meer) een IQ-test en psychodiagnostiek worden uitgevoerd. Daarnaast zijn er wachtlijsten. De hulpverleners hebben verteld dat het nog een half jaar kan kosten om het juiste zorgtraject voor [gedaagde] op te zetten. De kantonrechter overweegt dat een zeer onwenselijke situatie ontstaat. Enerzijds worden omwonenden en verhuurders geconfronteerd met ernstige overlast. Anderzijds moet de problematiek van de huurder eerst zodanig uit de hand lopen voordat deze ernstig genoeg is om in aanmerking te komen voor hulp en moet de huurder mogelijk op straat komen, hetgeen de hulpverlening weer bemoeilijkt.
4.16.
De kantonrechter heeft een ontruiming onder voorwaarden overwogen, maar zal daartoe niet overgaan. Gezien de complexe problematiek van [gedaagde] , die zij zelf ook erkent, zal het stellen van voorwaarden naar het oordeel van de kantonrechter niet helpend zijn, omdat [gedaagde] op dit moment onvoldoende controle over zichzelf en haar handelen heeft om op een realistische manier van haar te kunnen verwachten dat zij zich zelfstandig aan voorwaarden kan houden. Dat zou kunnen leiden tot een plotseling einde van de huisvesting, terwijl de kantonrechter de hulpverlening en het zoeken naar een geschikte plek voor [gedaagde] niet wil doorkruisen.
4.17.
De kantonrechter komt dan ook tot de volgende afweging. De tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming van de huurovereenkomst zijn voldoende ernstig om een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning te rechtvaardigen. De kantonrechter acht daarom voldoende waarschijnlijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden en de woning zal moeten worden ontruimd. Daarom is de vordering tot ontruiming van Ons Huis toewijsbaar.
De kantonrechter is echter ook van oordeel dat de belangen van Ons Huis nu niet zo dringend zijn, dat ontruiming binnen twee weken dient plaats te vinden, zoals Ons Huis heeft gevorderd. Ons Huis heeft verklaard dat er geen (ernstige) incidenten meer zijn voorgekomen sinds [gedaagde] op 31 december 2025 naar haar woning is teruggekeerd. Ons Huis heeft geen recente klachten over [gedaagde] ontvangen. De kantonrechter realiseert zich dat daarbij mogelijk meespeelt dat het een relatief korte periode is en dat enkele omwonenden zijn verhuisd. Het is echter wel een omstandigheid die de kantonrechter meeweegt in het oordeel. Dat betekent dat het voornaamste belang van Ons Huis op dit moment financieel is. Dat belang moet worden afgewogen tegen de hiervoor omschreven belangen van [gedaagde] (en haar omgeving) bij het behouden van een woning ten behoeve van haar begeleiding en het organiseren van het juiste zorgtraject. Verschillende hulpverleners verklaren nu beter contact met [gedaagde] te hebben en haar intensiever te begeleiden en zij verklaren dat [gedaagde] nu meer hulp toelaat. Verder heeft [gedaagde] verklaard dat zij na het Tactus traject minder drugs gebruikt en de afspraak met de politie heeft gemaakt dat zij geen ‘ongure types’ meer binnenlaat.
Alles afwegende zal de kantonrechter [gedaagde] , althans de bewindvoerder, tot 1 juli 2026 de tijd geven om de woning te ontruimen en te verlaten. Daarmee wordt aangesloten bij de totale termijn van zes maanden die de hulpverleners van [gedaagde] hebben aangegeven nodig te hebben voor het zorgtraject. Daarbij rekent de kantonrechter mee dat de hulpverleners inmiddels zo’n anderhalve maand bezig zijn om een plek voor [gedaagde] te vinden, zodat na datum van dit vonnis nog ongeveer viereneenhalve maand resteert.
De proceskosten
4.18.
De bewindvoerder wordt in deze procedure in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Ons Huis betalen. Deze worden begroot op:
kosten dagvaarding € 156,74
griffierecht € 135,00
salaris gemachtigde € 865,00
nakosten
€ 144,00
totaal € 1.300,74

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt de bewindvoerder om uiterlijk op 1 juli 2026 de woning aan de [adres] te ontruimen, in goede staat op te leveren en ontruimd te houden;
5.2.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, aan de zijde van Ons Huis begroot op € 1.300,74;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.(SB)

Voetnoten

2.HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.