ECLI:NL:RBOVE:2026:59

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_914
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen handhaving van dwangsommen wegens overtredingen van het omgevingsplan door een paardentrainingscentrum

In deze zaak heeft de rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een beroep van [eiser] tegen twee opvolgende lasten onder dwangsom die zijn opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente. De rechtbank oordeelt dat het college het bezwaar van [eiser] tegen de eerste last ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank herroept deze last en het bijbehorende invorderingsbesluit, omdat [eiser] niet aan de last heeft kunnen voldoen. De tweede last onder dwangsom wordt verlaagd van € 8.000,- naar € 4.000,- per overtreding. De rechtbank concludeert dat de handhaving niet onevenredig is, ondanks de bijzondere omstandigheden van [eiser], die lijdt aan een ernstige ziekte. De rechtbank vernietigt de besluiten van het college en herroept de invorderingsbesluiten, waarbij het college wordt veroordeeld tot het betalen van proceskosten aan [eiser].

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/914

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

(gemachtigde: mr. R. Blom en mr. M.T.M. Vroklage),
hierna: [eiser]
en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

hierna: het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee opvolgende lasten onder dwangsom die het college heeft opgelegd aan [eiser] wegens gelijkluidende overtredingen op haar perceel tegenover [adres]. Het gaat om in strijd met het omgevingsplan geplaatste bouwwerken en gerealiseerde werken ten behoeve van de paardensport. Het college heeft het bezwaar tegen de eerste last onder dwangsom niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare termijnoverschrijding en het bezwaar tegen de tweede last onder dwangsom op inhoudelijke gronden ongegrond verklaard. Ook is het college overgegaan tot invordering van beide verbeurde dwangsommen. [eiser] is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe aan dat er voor wat betreft haar bezwaar tegen de eerste last onder dwangsom sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding wegens gebrekkige postbezorging. Verder had het college moeten afzien van handhaving wegens bijzondere omstandigheden. Daarnaast is de invordering van beide dwangsommen volgens [eiser] niet proportioneel en niet evenredig gelet op haar persoonlijke omstandigheden.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het college het bezwaar tegen de eerste last onder dwangsom ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank herroept de eerste last onder dwangsom en het bijbehorende invorderingsbesluit omdat [eiser] niet aan deze last heeft kunnen voldoen. De tweede last onder dwangsom wordt herroepen voor zover daarin de dwangsom is vastgesteld op € 8.000,- per overtreding, deze wordt verlaagd naar € 4.000,- per overtreding. Ook het bijbehorende invorderingsbesluit wordt herroepen. [eiser] krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en procesverloop

2.1.
[eiser] heeft een paardentrainingscentrum. Zij is eigenaresse van het ongenummerde perceel tegenover [adres] [1] [adres] (hierna: het perceel). Het perceel wordt gebruikt om paarden en ruiters op te leiden voor de topsport. Het perceel valt binnen het omgevingsplan en voormalig bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente, veegplan 2021” (hierna: het omgevingsplan) en heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden’.
2.2.
Bij een controle op 5 mei 2023 en 27 oktober 2023 heeft een gemeentelijk toezichthouder geconstateerd dat op het perceel twee schuilstallen, twee containers voor de paardenbak, twee opleggers, vijf kleine overkappingen, een rijbak, een grindbak, cross hindernissen, een vijver, een informatiebord en een stelling met hindernismateriaal aanwezig zijn. Deze (bouw)werken passen niet binnen de geldende agrarische bestemming en vormen daarmee tien overtredingen van het omgevingsplan.
2.3.
Bij brief van 2 november 2023 heeft het college bij [eiser] aangekondigd dat hij voornemens is om handhavend op te treden tegen deze overtredingen.
2.4.
Nadat de toezichthouder op 12 februari 2024 heeft vastgesteld dat de overtredingen nog niet beëindigd zijn heeft het college met het besluit van 20 februari 2024 een last onder dwangsom (hierna: last I) opgelegd aan [eiser]. Wanneer [eiser] niet vóór 1 mei 2024 de tien overtredingen beëindigd heeft, verbeurt zij een dwangsom van € 4.000,- ineens per overtreding.
2.5.
De toezichthouder heeft op 2 mei 2024 opnieuw een controle uitgevoerd op het perceel en geconstateerd dat de overtredingen niet zijn beëindigd.
2.6.
Bij brief van 13 mei 2024 heeft het college aan [eiser] laten weten dat hij voornemens is de dwangsom opgelegd bij last I in te vorderen.
2.7.
Bij brief van 16 mei 2024 heeft het college aangekondigd dat hij voornemens is een tweede last onder dwangsom op te leggen aan [eiser].
2.8.
De toezichthouder heeft vervolgens op 4 juli 2024 een controle uitgevoerd op het perceel. Op 10 juli 2024 heeft de toezichthouder telefonisch contact gehad met [eiser] over de overtredingen. Op 17 juli 2024 heeft de toezichthouder een controle uitgevoerd en geconstateerd dat de overtredingen niet zijn beëindigd.
2.9.
Met het besluit van 30 juli 2024 heeft het college vervolgens een tweede last onder dwangsom (hierna: last II) opgelegd aan [eiser] wederom wegens bovengenoemde tien overtredingen van het omgevingsplan. Wanneer [eiser] niet vóór 1 oktober 2024 de overtredingen beëindigd heeft, verbeurt zij een dwangsom van € 8.000,- ineens per overtreding.
2.10.
[eiser] heeft op 19 augustus 2024 een bezwaarschrift ingediend tegen last I en II.
2.11.
Het bezwaarschrift heeft het college ter advisering doorgestuurd aan de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Hof van Twente (hierna: de commissie). Zij heeft op 6 januari 2025 twee adviezen uitgebracht.
2.12.
Met het besluit van 29 januari 2025 met het gemeentelijk registratienummer 840363 (het bestreden besluit I) heeft het college het advies van de commissie gevolgd en het bezwaar van [eiser] tegen last I niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding.
2.13.
Met het besluit van 29 januari 2025 met het gemeentelijk registratienummer 840517 (het bestreden besluit II) heeft het college het advies van de commissie gevolgd en last II in stand gelaten.
2.14.
De toezichthouder heeft op 26 maart 2025 opnieuw geconstateerd dat de tien overtredingen niet zijn beëindigd. Bij brief van 7 april 2025 heeft het college aan [eiser] laten weten dat hij voornemens is de dwangsom opgelegd bij last II in te vorderen.
2.15.
Met het invorderingsbesluit van 10 april 2025 (invorderingsbesluit I) heeft het college beslist om tot inning van de bij last I verbeurde dwangsom over te gaan.
2.16.
Met het invorderingsbesluit van 14 mei 2025 (invorderingsbesluit II) heeft het college beslist om tot inning van de bij last II verbeurde dwangsom over te gaan.
2.17.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I en II. Op 20 mei 2025 heeft [eiser] aanvullende gronden aangevoerd tegen invorderingsbesluit I en II. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.18.
Het college heeft [eiser] op 26 mei 2025 uitstel van betaling verleend voor de dwangsommen opgelegd bij last I en II tot zes weken na deze uitspraak.
2.19.
[eiser] heeft op 18 juni 2025 een aanvraag ingediend voor een tijdelijke omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om de overtredingen te legaliseren.
2.20.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hierbij was [eiser] aanwezig bijgestaan door haar gemachtigde mr. M.T.M. Vroklage. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2].

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen bestreden besluit I
3. De rechtbank beoordeelt allereerst of het bestreden besluit I van het college om het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in stand kan blijven.
3.1.
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken. De bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag na die, waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. [2]
3.2.
[eiser] voert aan dat last I pas op 18 juli 2024, na een telefoongesprek met het college, aan haar bekend is gemaakt door toezending van het besluit per e-mail. Dit komt omdat [eiser] het hekwerk waaraan de brievenbus met huisnummer [nummer] was bevestigd, heeft verwijderd in verband met de voorgenomen plaatsing van een hoger hekwerk. Na verwijdering van het oude hek is de brievenbus blijven staan zonder het hek. Het nieuwe hek is pas geleverd op 9 juni 2024. In de periode dat het hek was verwijderd – tussen november 2023 en juni 2024 - zijn veel brieven zoekgeraakt omdat de brievenbus blijkbaar minder vindbaar was. Door verwijdering van het hek liepen voorts zeer waakse honden los en durfde de postbezorger geen post meer te bezorgen. Omdat [eiser] last I pas op 18 juli 2024 voor het eerst heeft ontvangen, liep de bezwaartermijn nog tot 29 augustus 2024. Zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd heeft [eiser] vervolgens binnen deze termijn bezwaar gemaakt.
3.3.
De rechtbank stelt vast dat uit de verzendingsinformatie van het poststuk van PostNL blijkt dat het poststuk door het college aangetekend is verzonden en dat de bezorging van last I op 20 februari 2024 op het adres van [eiser] niet gelukt is. Voorts heeft het college het standpunt ingenomen dat niet is komen vast te staan dat de bezorger een afhaalbericht voor [eiser] heeft achtergelaten. Ter zitting heeft het college zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat daarmee last I niet op de juiste wijze aan [eiser] bekend is gemaakt op 20 februari 2024. Het college heeft aanvankelijk het standpunt ingenomen dat, omdat [eiser] van het bestaan van last I vanaf 16 mei 2024 wel bekend had kunnen zijn omdat in de toen verzonden vooraankondiging van last II werd gewezen op last I, vanaf dat moment de bezwaartermijn is aangevangen. Ter zitting heeft het college erkend dat omdat last I niet op juiste wijze is bekendgemaakt op 20 februari 2024 de bezwaartermijn toen niet is aangevangen en dat die bezwaartermijn pas is aangevangen nadat bekendmaking wel op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Dat is gebeurd op 18 juli 2024.
Gelet daarop komt de rechtbank tot het oordeel dat de bezwaartermijn van zes weken vanaf deze datum van bekendmaking is gaan lopen. [eiser] heeft op 19 augustus 2024 bezwaar gemaakt, dat is binnen de termijn. Het college heeft het bezwaar van [eiser] naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal daarom het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit I gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.
3.4.
Gelet op het voorgaande dient alsnog een inhoudelijk besluit genomen te worden op het bezwaar van [eiser] tegen last I. In dit verband overweegt de rechtbank dat op grond van last I [eiser] was aangezegd om aan de opgelegde last te voldoen vóór 1 mei 2024. Ten tijde van de op juiste wijze bekendgemaakte last I op 18 juli 2024 was de gegeven begunstigingstermijn reeds verlopen. Bij de op juiste wijze bekendgemaakte last I heeft het college [eiser] niet opnieuw een begunstigingstermijn gegeven om te voldoen aan de opgelegde last I. Voor [eiser] was het daarom onmogelijk na kennisname van last I om tijdig te voldoen aan de opgelegde last I. Immers was zij bij kennisname van last I al in verzuim. Daarmee kende last I van aanvang af een gebrek.
De rechtbank zal daarom, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien en het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2024 gegrond verklaren en dat besluit herroepen. Dit heeft tot gevolg dat de grondslag voor het verbeuren van de dwangsom verbonden aan last I is komen te vervallen.
Het beroep tegen invorderingsbesluit I
4. Ten aanzien van last I heeft het college het invorderingsbesluit I genomen. De rechtbank stelt vast dat het beroep van [eiser] mede betrekking heeft op het invorderingsbesluit I. [3] Met dit besluit heeft het college een bedrag van € 40.000,- aan dwangsommen ingevorderd.
4.1.
Omdat de rechtbank, zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.4. beschreven, last I herroepen heeft en de dwangsom van € 4.000,- per overtreding om die reden niet verbeurd is, is het college bij invorderingsbesluit I ten onrechte overgegaan tot invordering van een bedrag van € 40.000,-. Dat betekent dat het beroep ook gegrond is voor zover dat is gericht tegen het invorderingsbesluit I. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het invorderingsbesluit I herroepen omdat de grondslag voor invordering is vervallen.
Het beroep tegen bestreden besluit II
5. De rechtbank geeft hier eerst de inhoud van last II weer en zal daarna de beroepsgronden bespreken. Met het bestreden besluit II heeft het college last II in stand gelaten.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat last II een opvolgende last onder dwang is omdat [eiser] niet heeft voldaan aan last I. De overtredingen zijn gelijk aan die die ten grondslag lagen aan last I. Omdat [eiser] niet heeft voldaan aan last I heeft het college aanleiding gevonden om de dwangsom te verdubbelen ten opzichte van de dwangsom in last I.
5.2.
Aan [eiser] is gelast:
De twee schuilgelegenheden voor de veulens te verwijderen van het perceel en verwijderd te houden;
De twee containers voor de paardenbak te verwijderen van het perceel en verwijderd te houden;
De twee opleggers te verwijderen van het perceel en verwijderd te houden;
De vijf kleine overkappingen te verwijderen van het perceel en verwijderd te houden;
De paardenbak met hindernissen te verwijderen en verwijderd te houden;
De grindbak van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden;
Alle hindernissen voor paarden die zijn geplaatst op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden;
De vijver op het perceel te dempen en gedempt te houden;
Het informatiebord te verwijderen van het perceel en verwijderd te houden;
De hindernissen in de stelling voor de twee containers te verwijderen en verwijderd te houden.
Wanneer [eiser] niet vóór 1 oktober 2024 de overtredingen beëindigd heeft, verbeurt zij een dwangsom van € 8.000,- ineens per overtreding.
5.3.
De rechtbank zal eerst beoordelen of het college de bevoegdheid toekomt om handhavend op te treden tegen de gestelde overtredingen. In dat verband dient te worden vastgesteld dat er sprake is van overtredingen van het omgevingsplan.
De rechtbank stelt in dat verband vast, zoals ook ter zitting door [eiser] is erkend, dat de strijdigheid van de aanwezigheid van de onvergunde (bouw)werken met het geldende omgevingsplan tussen partijen niet in geschil is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Gelet daarop is het college bevoegd om tegen de geconstateerde overtredingen handhavend op te treden.
5.4.
Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) benadrukt daarbij dat de beginselplicht tot handhaving geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. [4]
5.5.
Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd van handhaving af te zien. De volgende omstandigheden worden als bijzondere omstandigheden aangemerkt:
- handhavend optreden is onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. [5]
- er bestaat concreet zicht op legalisatie. Er is pas een concreet zicht op legalisering van een situatie die in strijd is met het omgevingsplan, als er op het moment van de besluitvorming ten minste een begin is gemaakt met de procedure voor het verlenen van een omgevingsvergunning. [6]
5.6.
[eiser] voert tegen deze last aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor handhaving niet gerechtvaardigd is en het college hiervan moet afzien. [eiser] is een ‘eventing amazone’ van internationale allure, zij beoefent de veelzijdige paardensportdiscipline die dressuur, springen en cross-country combineert. Handhaving is onevenredig omdat [eiser] lijdt aan het Kearns-Sayre-syndroom (KSS), een zeer zeldzame progressieve stofwisselingsziekte. Vanwege KSS is [eiser] niet meer in staat om paard te rijden, laat staan om deel te nemen aan wedstrijden. [eiser] kan steeds minder fysieke activiteiten uitvoeren en haar gezondheid gaat hard achteruit. Naar verwachting heeft zij niet langer dan tien jaar te leven. De handhaving door het college heeft voor [eiser] zeer verstrekkende gevolgen. Het perceel is namelijk de laatste tastbare herinnering aan haar overleden ouders. Zij zou graag, zolang het nog kan, haar sport beoefenen en in het (ouderlijk) huis blijven wonen in de nabijheid van haar paarden. Een verhuizing zal gezien de gezondheidssituatie van [eiser] veel impact op haar hebben. Bovendien is het nog maar de vraag of zij een vervangende locatie zal vinden voor de betreffende activiteiten. [eiser] heeft een principeverzoek ingediend bij het college ter verkrijging van een tijdelijke vergunning voor 10 jaar om de bestaande situatie op het perceel voor de duur van die vergunning te legaliseren. Aangezien alle objecten demontabel en verplaatsbaar zijn zal het perceel na deze periode, of eerder in geval van haar eerdere overlijden, gemakkelijk worden teruggebracht naar de oorspronkelijke situatie. Het college heeft na zes maanden op dat principe-verzoek besloten om hier geen medewerking aan te verlenen. Gezien de gezondheidssituatie van [eiser] wordt op korte termijn alsnog een aanvraag ingediend voor een tijdelijke buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). [eiser] is van mening dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie aangezien haar terrein geen afbreuk doet aan de unieke en karakteristieke landschappelijke waarden zoals omschreven in het omgevingsplan.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat handhavend optreden in onderhavige zaak niet onevenredig is zodat het college hiervan niet behoeft af te zien. Medische omstandigheden, zoals in dit geval het KSS waaraan [eiser] lijdt, kunnen er slechts in uitzonderlijke gevallen toe leiden dat een bestuursorgaan niet in redelijkheid handhavend kan optreden. [7] Dat de gezondheid van [eiser] hard achteruitgaat en zij een levensverwachting heeft van niet meer dan tien jaren betekent niet dat het college had moeten afzien van handhavend optreden. Dat zijn geen omstandigheden waaraan zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken.
5.8.
Ook bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen concreet zicht op legalisering waardoor het college van handhaving had moeten afzien. In onderhavige zaak is namelijk geen begin gemaakt (ten tijde van de bestreden besluitvorming was nog geen aanvraag ingediend) met de procedure voor het verlenen van een omgevingsvergunning voorafgaand aan het bestreden besluit II. [eiser] heeft weliswaar een principeverzoek gedaan op 7 oktober 2024, maar dat is niet hetzelfde als een aanvraag en hier heeft het college ook nog eens afwijzend op beslist op 2 april 2025. [eiser] heeft op 18 juni 2025 wel een aanvraag ingediend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om de overtredingen te legaliseren. Omdat dit na de bekendmaking van het bestreden besluit II was en er geen aanwijzingen waren dat het college deze gevraagde omgevingsvergunning zou gaan verlenen, bestond ook ten tijde van de bekendmaking van het bestreden besluit II geen concreet zicht op legalisering. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.9.
Verder is [eiser] van mening dat de oplegging van last II buitenproportioneel is en dat de dwangsom van (in totaal) € 80.000,- gematigd dient te worden. Zij stelt dat het niet aan haar is toe te rekenen dat last I haar niet op tijd bereikt heeft, maar toch heeft het college daarna een tweede last opgelegd en de dwangsom verdubbeld.
5.10.
Wat betreft de oplegging van last II overweegt de rechtbank het volgende. Op 16 mei 2024 heeft het college aangekondigd dat hij voornemens is een tweede last onder dwangsom op te leggen aan [eiser]. [eiser] heeft op 10 juli 2024, voorafgaand aan last II, telefonisch contact gehad met de toezichthouder over de overtredingen op haar perceel. Ook heeft de toezichthouder voorafgaand aan de last II meermaals controles uitgevoerd op het perceel. [eiser] was dus op de hoogte van de overtredingen en heeft gelegenheid gehad om aan deze last te voldoen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de oplegging van last II op zichzelf niet buitenproportioneel is.
5.11.
Verder voert [eiser] aan dat de dwangsom gematigd dient te worden. Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb moeten dwangsombedragen in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. In het verweerschrift geeft het college aan dat nu [eiser] niet aan last I heeft voldaan, hij heeft aangenomen dat van deze opgelegde dwangsom onvoldoende prikkel is uitgegaan. Daarom heeft het college bij oplegging van last II de hoogte verdubbeld ten opzichte van last I. Een dwangsombedrag van € 8.000,- ineens per overtreding acht het college evenredig ten opzichte van de situatie.
5.12.
De rechtbank stelt vast dat het college de hoogte van de dwangsom heeft bepaald door de dwangsom die aan last I was verbonden te verdubbelen omdat [eiser] niet aan last I heeft voldaan. Nu het voor [eiser] (zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.4.vastgesteld) niet mogelijk is geweest om aan last I te voldoen, heeft het college de dwangsom bij last II naar het oordeel van de rechtbank onterecht verdubbeld. De dwangsom die het college heeft opgelegd bij last II dient immers thans gezien te worden als de eerste last onder dwangsom en een extra prikkel was dus niet nodig. Het college heeft dit ook ter zitting erkend. Daarbij heeft het college niet verder gemotiveerd waarom een bedrag van € 8.000,- ook onder deze omstandigheden nog in redelijke verhouding zou staan tot de zwaarte van het geschonden belang. Deze beroepsgrond slaagt.
5.13.
[eiser] heeft in het beroepschrift het standpunt ingenomen dat het totaal van de opgelegde dwangsommen gematigd zou moeten worden, omdat haar niet verweten kan worden dat zij niet aan last I heeft voldaan.
De rechtbank stelt vast dat [eiser] met deze beroepsgrond de hoogte van de dwangsom per overtreding van € 4.000,- op zichzelf niet ter discussie heeft gesteld. Ook in de bezwaarprocedure heeft zij de hoogte van deze dwangsom niet ter discussie gesteld. De rechtbank stelt daarmee vast dat de hoogte van de aan last I verbonden dwangsom door [eiser] niet is bestreden.
5.14.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de dwangsom onder de hiervoor geschetste omstandigheden opgelegd bij last II te hoog is. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit II vernietigen voor zover daarin de hoogte van de dwangsom is gehandhaafd op € 8.000,- per overtreding en zal de hoogte van de dwangsom vaststellen op € 4.000,- per overtreding, nu last II moet worden geacht te gelden als de eerste opgelegde last onder dwangsom.
Het beroep tegen invorderingsbesluit II
6. Ten aanzien van last II heeft het college het invorderingsbesluit II genomen. De rechtbank stelt vast dat het beroep van [eiser] mede betrekking heeft op het invorderingsbesluit II. [8] Met dit besluit heeft het college een bedrag van € 80.000,- aan dwangsommen ingevorderd.
6.1.
Omdat de rechtbank in deze uitspraak de hoogte van de dwangsom verlaagt naar
€ 4.000,- per overtreding, is het college in het invorderingsbesluit II ten onrechte overgegaan tot invordering van een bedrag van € 80.000,-. Dat betekent dat het beroep gegrond is voor zover dat is gericht tegen invorderingsbesluit II. De rechtbank zal het invorderingsbesluit II herroepen.
6.2.
De rechtbank overweegt nog dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat invordering van de opgelegde dwangsommen gelet op haar financiële situatie niet evenredig is. [eiser] heeft haar financiële situatie evenwel niet nader met stukken onderbouwd, zodat de rechtbank niet toekomt aan een nadere inhoudelijke beoordeling van dit standpunt. Nu de rechtbank volstaat met de herroeping van het invorderingsbesluit en het op de weg van het college ligt om al dan niet een nieuw invorderingsbesluit te nemen ligt het ook op de weg van het college om bij die beoordeling de specifieke omstandigheden van [eiser] te betrekken.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep tegen bestreden besluit I, invorderingsbesluit I, bestreden besluit II en invorderingsbesluit II is gegrond. Dat betekent dat [eiser] gelijk krijgt. Bestreden besluit I wordt vernietigd en de rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2024 (last I) gegrond te verklaren en dat besluit te herroepen. Ook voorziet de rechtbank zelf in de zaak door het invorderingsbesluit I te herroepen omdat de grondslag voor invordering vervallen is. Het bezwaar tegen bestreden besluit II wordt gegrond verklaard en dat bestreden besluit II wordt vernietigd voor zover daarin de hoogte van de dwangsom is gehandhaafd op € 8.000,- per overtreding. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2024 (last II) gegrond te verklaren en de hoogte van de dwangsom vast te stellen op € 4.000,- per overtreding. Ook herroept de rechtbank invorderingsbesluit II.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht van € 194,- aan [eiser] vergoeden en krijgt [eiser] een vergoeding voor haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De proceskosten van [eiser] bestaan uit een vergoeding voor de reis- en verblijfkosten van € 29,80 (op basis van de kosten voor openbaar vervoer 2e klas) en kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor de beroepsfase stelt de rechtbank de vergoeding hiervoor op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt: € 934,-; wegingsfactor 1). [eiser] heeft in beroep tevens verzocht om toekenning van proceskosten voor de bezwaarfase. Omdat [eiser] hier in haar bezwaarschrift niet om heeft verzocht, wijst de rechtbank dit verzoek gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit I;
  • herroept het besluit van 20 februari 2024 (last I);
  • herroept het invorderingsbesluit I;
  • vernietigt het bestreden besluit II voor zover daarin de hoogte van de dwangsom is gehandhaafd op € 8.000,- per overtreding en stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 4000,- per overtreding;
  • herroept het invorderingsbesluit II;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit II;
  • veroordeelt het college tot het betalen van een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase aan [eiser] ter hoogte van € 1.868,-;
  • gelast het college het griffierecht van € 194,- aan [eiser] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.G. Bulte, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kadastraal bekend Ambt Delden, sectie A nummer 2127.
2.Artikel 6:7, artikel 6:8, eerste lid, en artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit staat in artikel 5:39 van de Awb.
4.Zie hierover bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025,
5.Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
6.Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2568.
7.Zie hierover bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3883.
8.Dit staat in artikel 5:39, eerste lid, van de Awb.