ECLI:NL:RBOVE:2026:4534

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_2142
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 25 WpgArt. 7:1 AwbArt. 8:72 AwbRichtlijn (EU) 2016/680
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op inzage in politiegegevens volgens Wet politiegegevens versus AVG

Eiseres verzocht de korpschef om inzage in haar persoonsgegevens over de periode 2016-2017. De korpschef beoordeelde dit verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en wees het af omdat hij stelde dat hij de gegevens niet had verwerkt. Eiseres betwistte dit en stelde dat het verzoek op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) moest worden beoordeeld.

De rechtbank stelde vast dat het inzageverzoek niet tijdig was behandeld, maar dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar was. De rechtbank oordeelde dat het voor de korpschef duidelijk had moeten zijn dat het verzoek op grond van de Wpg was gedaan, mede omdat eiseres verwees naar een eerder verzoek op basis van de Wpg. De Wpg is een specifieke wet die voorrang heeft boven de AVG bij politiegegevens.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De korpschef moet een nieuw besluit nemen op het inzageverzoek met inachtneming van de uitspraak. Omdat er geen bezwaarmogelijkheid is bij een Wpg-inzageverzoek, voorziet de rechtbank zelf in de zaak. Er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat de korpschef onterecht de AVG toepaste in plaats van de Wet politiegegevens.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2142
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats] ,
hierna: [eiseres]
en
de korpschef van politie
hierna: de korpschef.

1.Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het verzoek van [eiseres] aan de korpschef om inzage in haar persoonsgegevens. De korpschef heeft dit inzageverzoek in behandeling genomen en beoordeeld op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en vervolgens afgewezen omdat de persoonsgegevens van [eiseres] niet door de korpschef zouden zijn verwerkt. [eiseres] is het niet eens met deze beslissing. Zij voert daartoe aan dat het voor de korpschef duidelijk moet zijn geweest dat zij het inzageverzoek deed op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) en niet op grond van de AVG. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing van de korpschef.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat de korpschef onterecht de AVG heeft gebruikt als wettelijke grondslag voor de beoordeling van het inzageverzoek van [eiseres] . [eiseres] krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

2.Feiten en procesverloop

2.1.
[eiseres] heeft op 5 januari 2025 een verzoek om inzage in haar persoonsgegevens in de periode 1 januari 2016 tot 31 december 2017 gedaan bij de korpschef. Het gaat om bevragingen gedaan in deze periode op basis van haar Burgerservicenummer (BSN) in de Basis Registratie Personen (BRP).
2.2.
Bij brief van 10 februari 2025 heeft de korpschef de termijn om op het inzageverzoek te beslissen opgeschort met acht weken.
2.3.
Omdat het voor de korpschef niet duidelijk was of het inzageverzoek is gedaan op grond van artikel 15 van Pro de AVG of artikel 25 van Pro de Wpg heeft hij telefonisch contact laten opnemen met [eiseres] .
2.4.
Met het besluit van 14 april 2025 (het primaire besluit) heeft de korpschef het inzageverzoek beoordeeld op grond van artikel 15 van Pro de AVG en afgewezen omdat de persoonsgegevens van [eiseres] niet door de korpschef zouden zijn verwerkt in de genoemde periode.
2.5.
[eiseres] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.6.
Met het besluit van 13 juni 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van [eiseres] is de korpschef bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Omdat de beroepsclausule ontbrak in het bestreden besluit heeft de korpschef deze later, op 18 juni 2025, toegezonden.
2.7.
[eiseres] heeft op 29 juli 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De korpschef heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
[eiseres] is vanwege betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hierbij was [eiseres] aanwezig en de korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] .

3.De beroepsgronden en het verweer

3.1.
[eiseres] voert ten eerste aan dat het primaire besluit een week te laat genomen is. Verder moet het volgens [eiseres] voor de korpschef duidelijk zijn geweest dat het inzageverzoek gedaan is op grond van de Wpg en niet op grond van de AVG. [eiseres] heeft immers een verwijzing en het kenmerk van haar eerdere verzoek op grond van de Wpg toegevoegd om het inzageverzoek herleidbaar te maken. De korpschef heeft onterecht uit het telefoongesprek afgeleid dat [eiseres] bedoeld heeft inzage te vragen op grond van de AVG. Dit is ook een onlogische conclusie want het is namelijk niet mogelijk om politiegegevens via de AVG op te vragen. Op deze manier is het inzageverzoek onterecht eenzijdig gewijzigd. Daarnaast had de korpschef iemand met een cognitieve stoornis, zoals [eiseres] , niet telefonisch mogen horen.
3.2.
De korpschef verzoekt in het verweerschrift om het beroep van [eiseres] niet-ontvankelijk te verklaren omdat er geen inhoudelijke beroepsgronden zijn aangevoerd.

4.Beoordeling door de rechtbank

4.1.
Voordat de rechtbank toekomt aan beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden, stelt de rechtbank vast dat het beroepschrift (vier dagen) te laat is ingediend. Ter zitting is gebleken dat niet tussen partijen ter discussie staat dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat de beroepsclausule in het bestreden besluit ontbrak en – meer dan vier dagen – later is medegedeeld aan [eiseres] . De rechtbank kan zich met de standpunten van partijen verenigen en oordeelt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroep is dan ook ontvankelijk.
4.2.
In tegenstelling tot de korpschef heeft de rechtbank wel (twee) beroepsgronden geïdentificeerd. De rechtbank zal het niet-ontvankelijkheidsverweer op dit punt dan ook passeren.
4.3.
Tijdigheid primair besluit
4.3.1.
Aangaande de beroepsgrond dat het primaire besluit te laat genomen is, stelt de rechtbank vast dat dit besluit inderdaad buiten de beslistermijn genomen is. Dit heeft echter geen gevolgen omdat de beslistermijn een termijn van orde is en [eiseres] geen ingebrekestelling heeft ingediend om de korpschef te dwingen een besluit te nemen. Deze grond treft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen doel.
4.4.
Grondslag inzageverzoek
4.4.1.
De rechtbank volgt [eiseres] wel in haar standpunt dat de korpschef bij de beoordeling van en beslissing op het inzageverzoek (artikel 25 van Pro) de Wpg had moeten toepassen en niet de AVG. Vooropgesteld wordt dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de inhoud en context van een inzageverzoek bepalend zijn voor de juridische kwalificatie daarvan en niet de door de indiener gekozen noemer (ECLI:NL:RVS:2026:483). Volgens de korpschef zou [eiseres] in een telefoongesprek desgevraagd hebben aangegeven dat zij heeft bedoeld een inzageverzoek in de zin van de AVG te doen. Niet duidelijk is geworden, ook niet ter zitting, wat er precies besproken is tijdens dit telefoongesprek en hoe en in welke context [eiseres] zich precies heeft uitgelaten over de juridische grondslag van het inzageverzoek. De rechtbank stelt verder vast dat uit de tekst van het inzageverzoek zelf niet blijkt dat dit verzoek is gedaan in de zin van de AVG. In dit verzoek verwijst [eiseres] juist naar een eerder verzoek dat zij gedaan heeft waarop de korpschef wel heeft beslist met toepassing van de Wpg en in het kader waarvan de korpschef een overzicht met gegevens heeft verstrekt aan [eiseres] . Het had onder die omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank voor de korpschef dan ook duidelijk moeten zijn dat [eiseres] beoogde eenzelfde soort overzicht in de zin van de Wpg te verkrijgen, dit keer met gegevens over een andere periode, en dus dat zij daartoe eenzelfde soort verzoek deed. Daar komt bij dat niet de AVG maar (artikel 25 van Pro) de Wpg de wettelijke grondslag vormt voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de zorgtaak van de politie. Daarmee vormt de Wpg bijzondere en/of specifiekere wetgeving die in beginsel voorrang krijgt boven de AVG (meer algemene wetgeving). Dit blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de aanpassing van de Wpg ten behoeve van EU-richtlijn 2016/680. [1] Ook gelet hierop had het, bij gebrek aan enige aanwijzing anderszins, op de weg gelegen van de korpschef om op het inzageverzoek te beslissen op grond van de Wpg.
4.4.2.
Gelet op het voorgaande heeft de korpschef naar het oordeel van de rechtbank bij het bestreden besluit onterecht het inzageverzoek van [eiseres] beoordeeld op grond van de AVG in plaats van de Wpg. Omdat deze beroepsgrond slaagt zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. In dat geval zou de korpschef in beginsel een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van [eiseres] tegen het primaire besluit. Nu echter ten aanzien van een beslissing op een inzageverzoek op grond van artikel 25 van Pro de Wpg een bezwaarmogelijkheid ontbreekt en rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter openstaat, [2] zal de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in zoverre zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen. Als gevolg hiervan moet de korpschef een nieuw (primair) besluit nemen op het inzageverzoek, zulks – zo zal de rechtbank bepalen – met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.

5.Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat [eiseres] gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat de korpschef onterecht de AVG in plaats van de Wpg heeft gebruikt als wettelijke grondslag voor de beoordeling van en beslissing op het inzageverzoek van [eiseres] . De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen omdat een bezwaarmogelijkheid ontbreekt bij een inzageverzoek op grond van artikel 25 van Pro de Wpg. Als gevolg hiervan moet de korpschef een nieuw (primair) besluit nemen op het inzageverzoek, zulks – zo zal de rechtbank bepalen – met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
5.2.
Omdat [eiseres] geen griffierecht betaald heeft ziet de rechtbank geen aanleiding om de korpschef op te dragen het griffierecht te vergoeden. Er zijn verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

6.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit en
  • bepaalt dat de korpschef op het inzageverzoek moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.G. Bulte, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Kamerstukken 1991/92, 22 562, nr. 3, blz. 34 en Kamerstukken II 30 327, nr. 3, blz. 39. Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.
2.Dit staat in artikel 7:1, eerste lid onder g, van de Awb in samenhang met Bijlage 1 van de Awb.