ECLI:NL:RBOVE:2026:4107

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_3221_3222
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3.7 WaboArt. 4 Bijlage II BorArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning houseboats wegens onjuiste gebruiksbestemming en innerlijke tegenstrijdigheid

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland aan eisers 2 voor het verhuren van houseboats op zes ligplaatsen voor dag- en verblijfsrecreatie. Omwonenden, eisers 1, voeren aan dat de houseboats feitelijk als recreatiewoningen worden gebruikt, wat leidt tot overlast en strijd met het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelt dat het college bij de vergunningverlening niet heeft onderkend dat de houseboats primair als recreatiewoningen worden gebruikt, waardoor de vergunning niet aansluit bij het aangevraagde gebruik. De vergunning is innerlijk tegenstrijdig en onuitvoerbaar, en onvoldoende handhaafbaar. De beoordeling van de ruimtelijke ordening berust op onjuiste uitgangspunten.

Beide beroepen worden gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het college wordt opgedragen opnieuw te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden proceskosten aan eisers toegekend.

De rechtbank wijst het verzoek van eisers 2 om de behandeling aan te houden af, omdat de Wabo van vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. De rechtbank benadrukt dat de houseboats niet als recreatievaartuigen in de zin van het bestemmingsplan kunnen worden aangemerkt en dat het bedrijfsmatig verhuren daarvan niet binnen de bestemming 'Water' past.

De uitspraak biedt duidelijkheid over de onjuiste kwalificatie van het gebruik en de noodzaak van een zorgvuldige ruimtelijke beoordeling bij vergunningverlening voor dergelijke activiteiten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning en herroept het primaire besluit, gelast het college tot hernieuwde besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/3221 en ZWO 25/3222

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eisers 1]uit [woonplaats 1], eisers in
ZWO 25/3221 en derde-partij in ZWO 25/3222 (hierna te noemen: [eisers 1]),
gemachtigde: mr. F.P. van Galen,
en

[eisers 2] uit [woonplaats 2], eisers in

ZWO 25/3222 en derde-partij in ZWO 25/3221 (hierna te noemen: [eisers 2], in enkelvoud),
gemachtigde: mr. drs. P.J. Woudstra,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland, verweerder in beide zaken (het college),
gemachtigde: mr. M.W. van Nijendaal.

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die het college aan [eisers 2] heeft verleend voor het verhuren van houseboats op zes ligplaatsen in Zwartsluis voor dag- en verblijfsrecreatie. [eisers 1] zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij vrezen dat het gebruik van de houseboats tot veel overlast zal leiden, onder meer omdat de houseboats volgens hen primair als recreatiewoningen worden gebruikt, en niet om te varen. Het college is van mening dat het vergunde gebruik van de houseboats het woon- en leefklimaat van [eisers 1] niet onevenredig zal aantasten. Volgens het college is dat met de voorschriften die in de vergunning zijn opgenomen voldoende gewaarborgd. In die voorschriften is onder meer opgenomen dat de houseboats moeten worden gebruikt met het doel om te varen en dat de ligplaatsen niet mogen worden ingenomen door vaartuigen welke daar liggen met het doel om ter plaatse te functioneren.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college bij de vergunningverlening heeft miskend dat de houseboats primair zijn bedoeld om te worden gebruikt als recreatiewoningen. Daardoor heeft het college een omgevingsvergunning verleend die niet aansluit bij het gebruik dat [eisers 2] heeft aangevraagd en het gebruik dat [eisers 2] heeft beoogd. [eisers 1] voeren terecht aan dat de omgevingsvergunning innerlijk tegenstrijdig en onuitvoerbaar is. Ook is de rechtbank van oordeel dat de vergunning onvoldoende handhaafbaar is en dat de beoordeling van de vraag of de
aangevraagde activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is op onjuiste uitgangspunten berust. De rechtbank verklaart beide beroepen gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Dit betekent dat het college opnieuw op de aanvraag van [eisers 2] moet beslissen.

Procesverloop

2.1
Bij besluit van 16 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan [eisers 2] een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van zes ligplaatsen rondom het perceel aan de [adres 1] voor houseboats, dag- en verblijfsrecreatie. Hiertegen hebben [eisers 1] bezwaar gemaakt.
2.2
Bij besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het primaire besluit voor wat betreft de ruimtelijke onderbouwing van het nachtverblijf herroepen. Verder heeft het college in het bestreden besluit het primaire besluit in stand gelaten met aanvulling van de motivering van dat besluit en met wijziging van de voorschriften. Ten slotte heeft het college in het bestreden besluit bepaald dat:
- waar in de omgevingsvergunning wordt verwezen naar artikel 2.1, eerste lid, onder
a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), moet worden gelezen
een verwijzing naar artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo;
- het parkeerterrein aan de [adres 1] mag worden gebruikt voor het
invullen van de parkeeropgave voor zowel dagrecreatie als verblijfsrecreatie;
- daar waar in de omgevingsvergunning wordt verwezen naar artikel 2.12, eerste lid,
onder a, sub 3°, van de Wabo, moet worden gelezen een verwijzing naar artikel 3.7,
eerste lid, van de Wabo.
- zowel het advies van de Commissie bezwaarschriften (de bezwaarcommissie) van
2 juni 2025 als het schriftelijk verslag van 2 juni 2025 van de hoorzitting van
18 maart 2025 deel uitmaken van het bestreden besluit.
2.3
[eisers 1] en [eisers 2] hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.4
Het college heeft met twee verweerschriften op de beroepen gereageerd.
2.5
Daarna hebben [eisers 1] en [eisers 2] nog aanvullende beroepschriften ingediend.
2.6
De rechtbank heeft de beroepen op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren [eisers 1] aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam], bijgestaan door de gemachtigde van het college. Namens [eisers 2] hebben [eisers 2] aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door de gemachtigde van [eisers 2].

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding; de feiten
Eerder verleende omgevingsvergunning voor dertien recreatievaartuigen
3.1
Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft het college aan G. Terwel een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van tien jaar verleend voor het bedrijfsmatig verhuren van recreatievaartuigen op dertien ligplaatsen aan de [adres 2] en achter de [adres 1]. Deze vergunning is verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo). Tegen dit besluit hebben [eisers 1] bezwaar gemaakt.
3.2
Bij drie afzonderlijke besluiten van 18 april 2024 op de bezwaren van [eisers 1] is het college bij de verlening van de tijdelijke omgevingsvergunning gebleven, met aanvulling van de motivering. Tegen dit besluit hebben [eisers 1] beroep ingesteld bij de rechtbank. [1]
3.3
Bij uitspraak van 20 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep van [eisers 1] gegrond verklaard, de besluiten op bezwaar van 18 april 2024 vernietigd en het college opgedragen om opnieuw op de bezwaren van [eisers 1] te beslissen, met inachtneming van die uitspraak. [2] Tegen deze uitspraak hebben zowel [eisers 2] als [eisers 1] hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Deze procedure in hoger beroep is tot op heden nog niet afgerond.
Aanleiding tot deze procedure
4.1
Op 23 december 2023 heeft [eisers 2] bij het college een aanvraag ingediend voor een tijdelijke omgevingsvergunning voor het gebruiken van zes ligplaatsen voor verblijfs-recreatie op zogenaamde houseboats. Dit betreft ligplaatsen in het water rond het perceel aan de [adres 1] (hierna: de locatie). De omgevingsvergunning is, net als de vergunning die het college op 19 oktober 2023 heeft verleend, aangevraagd voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo). Ter aanvulling van de aanvraag heeft [eisers 2] op 6 juni 2024 het document ‘Ligplaatsen voor verblijfsrecreatie te Zwartsluis, Ruimtelijke onderbouwing’ (hierna: de Ruimtelijke onderbouwing) ingediend. Dit document bevat de onderbouwing van de conclusie van [eisers 2] dat het aangevraagde project in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In de Ruimtelijke onderbouwing staat dat [eisers 2] zes bestaande ligplaatsen voor recreatievaartuigen wil gebruiken als ligplaatsen voor verblijfsrecreatie. De bedoeling is dat de ligplaatsen in gebruik kunnen worden genomen door vaartuigen die eigenlijk zijn ingericht en in gebruik zijn als recreatiewoning. De vaartuigen worden bedrijfsmatig verhuurd, zodat toeristen vanaf die vaartuigen Zwartsluis en omgeving kunnen verkennen.
4.2
In het primaire besluit heeft het college aan [eisers 2] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van de zes ligplaatsen voor houseboats, voor dag- en
verblijfsrecreatie. In deze vergunning staat dat die geldig is tot en met 30 september 2027 en dat de ligplaatsen jaarlijks mogen worden ingenomen van 1 april tot en met 30 september. De vergunning is op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wabo. In de vergunning zijn meerdere voorschriften opgenomen. Daarin is onder meer bepaald dat elke vorm van huisvesting is verboden en dat incidenteel nachtverblijf alleen mag plaatsvinden op de dag van aankomst, de dag voor vertrek of bij slecht weer. Door middel van een nachtregister moet dit gebruik worden bijgehouden.
4.3
Op 2 juni 2025 heeft de bezwaarcommissie advies uitgebracht over de bezwaren van [eisers 1] De bezwaarcommissie heeft het college geadviseerd om het primaire besluit te herroepen en een nieuw besluit op de aanvraag van [eisers 2] te nemen, waarin:
het college [eisers 1] meer duidelijkheid geeft over wat onder incidenteel overnachten moet worden verstaan en waarbij ook de gevolgen van het vergunde gebruik voor het woon- en leefklimaat van [eisers 1] worden beoordeeld;
de verschrijving in de omgevingsvergunning met betrekking tot artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo wordt hersteld;
het gebrek over het parkeren ten behoeve van dagrecreatie aan de [adres 1] wordt hersteld; en
e verwijzing naar de uitgebreide procedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (een kennelijke verschrijving) wordt hersteld.
In dit advies heeft de bezwaarcommissie onder meer geconcludeerd dat in het primaire besluit onvoldoende is bepaald wat onder incidenteel overnachten wordt verstaan en dat daardoor de gevolgen van de verleende omgevingsvergunning voor het woon- en leefklimaat van [eisers 1] niet goed kunnen worden beoordeeld. Daarmee heeft de bezwaarcommissie aangesloten bij wat de rechtbank in de uitspraak van 20 mei 2025 heeft geoordeeld over de omgevingsvergunning die het college op 19 oktober 2023 aan [eisers 2] heeft verleend voor het verhuren van dertien recreatievaartuigen op en rond de locatie.
Het bestreden besluit
5.1
In het bestreden besluit heeft het college aangegeven zich aan het advies van de bezwaarcommissie te conformeren. Op basis van dat advies heeft het college in het bestreden besluit het voorschrift:

Elke vorm van huisvesting is verboden. Incidenteel nachtverblijf mag alleen plaatsvinden op de dag van aankomst, de dag voor vertrek of bij slecht weer. Door middel van een nachtregister moet dit gebruik worden bijgehouden.’
aangepast en vervangen door:
‘- Elke vorm van (permanente) huisvesting is verboden.
  • De te verhuren houseboats worden gebruikt met het doel te varen. Nachtverblijf op de ligplaatsen in de haven mag plaatsvinden, waarbij een maximum geldt van 314 overnachtingen per toegestane gebruiksperiode per kalenderjaar, verdeeld over zes houseboats.
  • Overnachtingen moeten door middel van een nachtregister worden bijgehouden.’
5.2
Verder heeft het college in het bestreden besluit nader gemotiveerd waarom de bestreden omgevingsvergunning niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [eisers 1] en waarom volgens het college sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Kort samengevat heeft het college zich daarbij op het standpunt gesteld dat 314 overnachtingen per toegestane gebruiksperiode per kalenderjaar, verdeeld over zes houseboats, aanvaardbaar zijn. Dat komt neer op gemiddeld twee overnachtingen per houseboat per week. Voor een gemengd gebied (een gebied waarin – zowel op land als op water – verschillende functies voorkomen, ook functies die reuring veroorzaken) acht het college dit ruimtelijk aanvaardbaar, mede gelet op de voorschriften die in de omgevingsvergunning zijn opgenomen. Die voorschriften waarborgen volgens het college dat de vergunde activiteit geen onevenredige overlast zal veroorzaken. Mocht dergelijke overlast voorkomen, dan kan en moet daar op basis van de vergunningvoorschriften in beginsel handhavend tegen worden opgetreden, aldus het college.
De beroepsgronden van [eisers 1]
6.1
[eisers 1] zijn van mening dat het toestaan van de zes houseboats op de betreffende ligplaatsen en het toestaan van verblijfsrecreatie op de houseboats in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en voor hen tot onevenredige overlast leidt. Ter onderbouwing hiervan voeren zij meerdere beroepsgronden aan. [eisers 1] wijzen er onder meer op dat het gewijzigde voorschrift over het nachtverblijf tot gevolg heeft dat gemiddeld twaalf overnachtingen per week op de houseboats worden toegestaan. Dit betekent bijvoorbeeld dat alle houseboats in de periode van april tot en met september elk weekend het gehele weekend voor verblijfsrecreatie kunnen worden gebruikt. Volgens [eisers 1] is dat geen incidenteel nachtverblijf meer en is onvoldoende geborgd dat voor omwonenden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat blijft bestaan. Ook zijn zij van mening dat het college een akoestisch onderzoek had moeten laten uitvoeren om de gevolgen van het nachtverblijf voor het woon- en leefklimaat inzichtelijk te maken.
6.2
[eisers 1] voeren verder aan dat de houseboats bouwwerken zijn, die primair bedoeld zijn om op te verblijven en niet om mee te varen. De houseboats zijn daarom feitelijk bedoeld om ter plaatse als recreatiewoning te functioneren terwijl in de omgevingsvergunning staat dat dat niet mag. Dat maakt volgens [eisers 1] dat de omgevingsvergunning innerlijk tegenstrijdig en onuitvoerbaar is. Verder zijn de houseboats volgens [eisers 1] geen recreatievaartuigen als bedoeld in het geldende bestemmingsplan, maar moeten de houseboats op grond van de regels van het bestemmingsplan worden aangemerkt als woonschepen. Woonschepen hebben een andere ruimtelijke uitstraling dan recreatievaartuigen en dat heeft gevolgen voor de beoordeling van de vraag of kan worden afgeweken van het bestemmingsplan.
6.3
Ook betogen [eisers 1] dat het college de bestreden omgevingsvergunning niet op grond van onderdeel 11 van artikel 4 van Pro bijlage II van het Bor heeft kunnen verlenen en dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat en waarom een vergunning voor een periode van drie jaar is verleend.
6.4
Daarnaast is niet voldaan aan de richtafstanden in de Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009. Daarbij hebben [eisers 1] zich op het standpunt gesteld dat de ligplaatsen zijn gesitueerd in het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ als bedoeld in die handreiking en dat het vergunde
gebruik moet worden gekwalificeerd als een jachthaven/watercamping die valt in milieucategorie 3.1.
6.5
[eisers 1] zijn verder van mening dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de parkeerplaatsen die nodig zijn voor de vergunde activiteit daadwerkelijk aanwezig zijn dan wel kunnen worden gerealiseerd op het eigen terrein van [eisers 2], mede omdat een advies van een parkeerdeskundige daarover ontbreekt. Ook vinden zij niet duidelijk welke parkeernorm het college in dit verband heeft gehanteerd en of aan die norm wordt voldaan.
6.6
Ten slotte stellen [eisers 1] dat de bestreden omgevingsvergunning in strijd met het vertrouwensbeginsel is verleend, omdat het college meerdere keren aan hen heeft meegedeeld dat geen watercamping en/of houseboats zullen worden toegestaan.
De beroepsgronden van [eisers 2]
7.1
[eisers 2] is in de eerste plaats van mening dat het voorschrift, dat per gebruiks-periode per kalenderjaar maximaal 314 keer op de houseboats mag worden overnacht, onduidelijk is. Ter onderbouwing hiervan voert zij aan dat het college op 12 september 2025 opnieuw heeft beslist op de bezwaren van [eisers 1] tegen de op 19 oktober 2023 verleende omgevingsvergunning. In dat besluit op bezwaar is in die omgevingsvergunning het voorschrift opgenomen dat op de dertien recreatievaartuigen in de gebruiksperiode per kalenderjaar maximaal 680 keer mag worden overnacht. [eisers 2] is van mening dat de zes houseboats waarvoor in het primaire besluit vergunning is verleend ook vallen onder de dertien recreatievaartuigen waarop de op 19 oktober 2023 verleende omgevingsvergunning ziet. Onduidelijk is hoe de beide regelingen in de beide vergunningen zich tot elkaar verhouden. Daarnaast is onduidelijk hoe vaak op een houseboat mag worden overnacht als niet zes, maar bijvoorbeeld vijf houseboats ter verhuur worden aangeboden. Verder is onduidelijk waarom in het bestreden besluit in de toelichting op het nieuwe voorschrift nog staat dat door het nachtregister te vergelijken met de geregistreerde boekingen, kan worden beoordeeld of sprake is van een dag van aankomst of een dag voor vertrek. De regeling die daarover in het primaire besluit stond, is in het bestreden besluit namelijk komen te vervallen. Met het oog op eventuele handhavingsverzoeken van omwonenden over de overnachtingen, is duidelijkheid hierover gewenst, aldus [eisers 2].
7.2
Daarnaast voert [eisers 2] aan dat het voorschrift dat per gebruiksperiode 314 keer op de houseboats mag worden overnacht, beperkender is dan de regeling die in het primaire besluit was opgenomen voor het overnachten. [eisers 2] is van mening dat de aan haar verleende omgevingsvergunning vanwege de beperking in het aantal toegestane overnachtingen en ook vanwege de beperking qua gebruiksperiode per kalenderjaar niet meer overeenstemt met wat zij heeft aangevraagd, te weten een jaarrond gebruik. Volgens [eisers 2] komen de voorschriften in de omgevingsvergunning nu feitelijk neer op een verkapte weigering van de vergunning. Zij is van mening dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het aantal overnachtingen op de houseboats moet worden beperkt tot 314 per gebruiksperiode dan wel tot twee overnachtingen per houseboat per week in de gebruiksperiode. Daarbij wijst [eisers 2] erop dat de Omgevingsdienst IJsselland (ODIJ) in opdracht van het college in de periode van 5 tot en met 10 september 2025 geluidmetingen heeft uitgevoerd bij de woonboot aan de Nieuwsluis 9a en daarvan op
11 december 2025 een rapport heeft opgesteld. In dit rapport concludeert de ODIJ dat de etmaalwaarde van 50 dB(A) op de locatie van die woonboot niet wordt overschreden en dat
daar sprake was van een acceptabel geluidniveau. Volgens [eisers 2] wijst dit erop dat er geen reden is om het aantal overnachtingen te beperken.
Beoordeling van de beroepen
Wabo blijft van toepassing
8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. In dit geval is de aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend op 23 december 2023. Dat betekent dat in deze zaak de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Planologische situatie
9.1
De locatie van de zes ligplaatsen heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Oud Zwartsluis’ (het bestemmingsplan) de bestemming ‘Water’, met de functieaanduiding ‘ligplaats’.
9.2
Artikel 23.1, aanhef en onder c, van de regels van het bestemmingsplan (planregels) bepaalt dat gronden met deze bestemming en functieaanduiding zijn bestemd voor ligplaatsen en aanleggelegenheid voor recreatievaartuigen.
9.3
Artikel 1.65 van de planregels bepaalt dat onder recreatievaartuig wordt verstaan: een vaartuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor niet-bedrijfsmatige, dat wil zeggen sportieve en recreatieve doeleinden. Hieronder vallen ook roeiboten, kano’s en daarmee gelijk te stellen vaartuigen.
Bedrijfsmatig verhuren van recreatievaartuigen
10.1
In het aanvullend beroepschrift van 11 mei 2026 en op de zitting van 22 mei 2026 heeft [eisers 2] gesteld dat verblijfsrecreatie en het overnachten op de houseboats binnen de regels van de bestemming ‘Water’ past en dat ook het bedrijfsmatig verhuren van de houseboats niet in strijd met de bestemming is. Op de zitting heeft [eisers 2] gesteld dat voor de door haar aangevraagde activiteit geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo nodig is. Daarbij heeft zij tevens aangegeven dat de vraag of het bedrijfsmatig verhuren van recreatievaartuigen op de locatie in strijd met de planregels is, onderdeel is van het hoger beroep dat zij bij de Afdeling heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 mei 2025. [eisers 2] heeft op de zitting aan de rechtbank gevraagd om de behandeling van de onderhavige beroepen aan te houden totdat de Afdeling daarover uitspraak heeft gedaan.
10.2
Voor zover [eisers 2] heeft bedoeld te betogen dat het college voor de aangevraagde activiteit ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend omdat die niet nodig is, volgt de rechtbank dat niet. Net als in de uitspraak van 20 mei 2025, is de rechtbank van oordeel dat uit de definitie in artikel 1.65 van de planregels volgt dat het
bedrijfsmatigverhuren van recreatievaartuigen (en houseboats), inclusief overnachtingen,
niet past binnen de bestemming ‘Water’, met de functieaanduiding ‘ligplaats’. Voor het aanhouden van de behandeling van de beroepen totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op de hoger beroepen tegen de uitspraak van 20 mei 2025, ziet de rechtbank geen aanleiding. Dat verzoek wijst de rechtbank af.
Het beroep van [eisers 1]
11.1
De rechtbank stelt vast dat in de voorschriften van de omgevingsvergunning onder meer is bepaald dat de te verhuren houseboats moeten worden gebruikt met het doel om te varen en dat de ligplaatsen niet mogen worden ingenomen door vaartuigen die daar liggen met het doel om ter plaatse te functioneren.
11.2
Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de houseboats niet kunnen worden aangemerkt als bouwwerken omdat ze niet zijn bedoeld om ter plaatse te functioneren. De ligplaatsen mogen volgens de vergunningvoorschriften namelijk niet worden ingenomen door vaartuigen die als bouwwerk kwalificeren. Als dat wel gebeurt, dan kan en moet het college daartegen in beginsel handhavend optreden. In één van de twee verweerschriften die het college in beroep heeft overgelegd, heeft het hierover nog naar voren gebracht dat vaststaat dat de houseboats geschikt zijn om mee te varen, zodat uitvoering kan worden gegeven aan de voorschriften van de vergunning. De omstandigheid dat, zoals [eisers 1] stellen, de houseboats niet uitvaren, doet daar volgens het college niets aan af.
11.3
De rechtbank stelt vast dat op p. 7 van de Ruimtelijke onderbouwing het volgende staat over het doel en het gewenste gebruik van de houseboats:

Gelet op het gewenste gebruik, namelijk verblijfsrecreatie op vaartuigen die kunnen aanleggen ter plaatse van de zes aangewezen ligplaatsen, kan op basis van de definitie van het begrip recreatievaartuig direct worden geconcludeerd dat de vaartuigen geen recreatievaartuigen in de zin van het vigerende bestemmingsplan zijn. Gelet op de inrichting en de vormgeving van de vaartuigen, zijn deze primair bedoeld om als recreatiewoning te gebruiken. Permanente bewoning is daarbij uitgesloten.’
Op p. 8 van de Ruimtelijke onderbouwing staat:
‘De voorgenomen plannen bestaan uit een gebruikswijziging van in totaal zes ligplaatsen. Het is de bedoeling de ligplaatsen te gebruiken voor verblijfsrecreatie. Dit betekent dat de ligplaatsen in gebruik kunnen worden genomen door vaartuigen die op zodanige wijze zijn ingericht dat verblijfsrecreatie mogelijk is en waar daadwerkelijk verblijfsrecreatie plaatsvindt. De vaartuigen zijn dus eigenlijk ingericht en in gebruik als recreatiewoning. Deze vaartuigen worden dan bedrijfsmatig verhuurd, zodat toeristen vanaf deze vaartuigen Zwartsluis en omgeving kunnen verkennen. Permanente bewoning van deze vaartuigen is uitgesloten.’
11.4
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de hiervoor genoemde passages uit de Ruimtelijke onderbouwing, die onderdeel is van het bestreden besluit, dat de houseboats primair zijn bedoeld om te worden gebruikt als recreatiewoningen. Of met de houseboats daadwerkelijk wordt gevaren, is van ondergeschikt belang, zo leidt de rechtbank uit de aanvraag af. Dit heeft het college bij de vergunningverlening niet onderkend. Het college
heeft een omgevingsvergunning verleend die niet aansluit bij het gebruik dat [eisers 2] heeft aangevraagd. Door in de voorschriften van de omgevingsvergunning op te nemen dat
de te verhuren houseboats moeten worden gebruikt met het doel om te varen en dat de ligplaatsen niet mogen worden ingenomen door vaartuigen welke daar liggen met het doel ter plaatse te functioneren, heeft het college de aanvraag onjuist gekwalificeerd. Het college heeft miskend dat het doel van de aanvraag juist niet is om met de houseboats te varen, maar dat die in de eerste plaats bedoeld zijn om ter plaatse als recreatiewoning te functioneren. Aangezien de Ruimtelijke onderbouwing onderdeel is van de bestreden omgevingsvergunning, voeren [eisers 1] dan ook terecht aan dat de vergunning innerlijk tegenstrijdig en onuitvoerbaar is. Ook maakt dit naar het oordeel van de rechtbank dat de bestreden omgevingsvergunning onvoldoende handhaafbaar is. Niet duidelijk is namelijk hoe en wanneer handhavend kan worden opgetreden tegen overtreding van het voorschrift dat de ligplaatsen niet mogen worden ingenomen door vaartuigen die daar liggen met het doel om ter plaatse te functioneren. Ter zitting kon het college hierover desgevraagd geen duidelijkheid geven.
11.5
[eisers 1] hebben aangevoerd dat de houseboats worden aangeboden en feitelijk fungeren als recreatiewoningen en dat daarmee niet wordt gevaren. [eisers 2] heeft de stellingen van [eisers 1] daarover niet weersproken, maar slechts verklaard dat met de houseboats kan worden gevaren maar dat het aan de huurders daarvan zelf is om te bepalen of zij dat ook daadwerkelijk doen. Tijdens de zitting op 22 mei 2026 heeft [eisers 2] erkend dat inmiddels al enige tijd niet meer met de houseboats wordt gevaren en ze liggend verhuurd worden. De reden daarvoor is – naast personeelsgebrek – dat de houseboats bij het varen veel schade opliepen. De rechtbank begrijpt dat dit komt omdat de houseboats relatief groot en moeilijk te manoeuvreren zijn. De rechtbank concludeert dat de houseboats daarmee naar hun aard – in de huidige uitvoering – minder geschikt zijn om mee te varen.
11.6
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de houseboats feitelijk primair fungeren als recreatiewoningen, zoals [eisers 2] ook heeft aangevraagd. Hieruit volgt dat de beoordeling van het college, of de aangevraagde activiteit niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is, op onjuiste uitgangspunten berust. Die beoordeling is gebaseerd op de uitgangspunten dat de te verhuren houseboats (primair) worden gebruikt om mee te varen en dat de ligplaatsen niet worden ingenomen door vaartuigen die daar liggen met het doel om ter plaatse te functioneren. Hierdoor heeft het college onvoldoende onderbouwd dat de vergunde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en voor omwonenden niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. De stelling van het college dat dit via handhavend optreden kan worden gegarandeerd, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college een onjuist ruimtelijk gebruik aan zijn beoordeling ten grondslag gelegd. Het verbinden van voorschriften om het woon- en leefklimaat voor omwonenden te garanderen, kan dit gebrek niet ondervangen.
11.7
De rechtbank komt tot de conclusie dat de bestreden omgevingsvergunning innerlijk tegenstrijdig en onuitvoerbaar is en daarom onvoldoende rechtszekerheid biedt. Het bestreden besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en dat geldt ook voor het primaire besluit. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Omdat de bestreden omgevingsvergunning niet in stand kan blijven, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen. Hieruit volgt dat het college opnieuw op de aanvraag van [eisers 2] zal moeten beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.
11.8
Gelet op het voorgaande, hoeven de overige beroepsgronden van [eisers 1] niet verder te worden besproken.
Het beroep van [eisers 2]
12. Uit de omstandigheid dat het bestreden besluit wordt vernietigd volgt dat ook [eisers 2] daartegen terecht beroep heeft ingesteld. De rechtbank zal het beroep van [eisers 2] daarom ook gegrond verklaren. Uit het voorgaande volgt verder dat de concrete beroepsgronden van [eisers 2] onbesproken kunnen blijven.

Conclusie en gevolgen

13.1
Beide beroepen zijn gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. Dit betekent dat het college opnieuw op de aanvraag van [eisers 2] moet beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.
13.2
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het door [eisers 1] en [eisers 2] betaalde griffierecht aan hen vergoeden. Ook moet het college aan hen een vergoeding betalen voor de kosten die zij redelijkerwijs hebben moeten maken voor de behandeling van hun beroepen. Voor beide eisende partijen geldt dat deze kosten bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding daarvoor stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.868 per partij (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 22 mei 2026; waarde per punt: € 934; wegingsfactor 1).
13.3
Omdat het primaire besluit wordt herroepen moet het college aan [eisers 1] ook een vergoeding betalen voor de kosten die zij redelijkerwijs hebben moeten maken voor de behandeling van hun bezwaar. Dat betreft eveneens kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding daarvoor stelt de rechtbank op basis van het Bpb vast op € 1.332 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting op 18 maart 2025; waarde per punt: € 666; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • gelast het college om het griffierecht van € 194 aan [eisers 1] te vergoeden;
  • gelast het college om het griffierecht van € 385 aan [eisers 2] te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van [eisers 2] tot een bedrag van € 1.868;
  • veroordeelt het college in de (proces)kosten van [eisers 1] tot een bedrag van € 3.200.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzitter, en mr. A.L.M. Steinebach-de Wit en
mr. F.J. van der Vaart, leden, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer ZWO 24/2759.