ECLI:NL:RBOVE:2026:4085

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
12045297 \ CV EXPL 26-71
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 2:9 BWArt. 2:11 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling courtagevergoeding op grond van opdracht tot dienstverlening

In deze civiele zaak staat de vraag centraal of gedaagden recht hebben op betaling van een courtagevergoeding aan eiseres op grond van een met haar gesloten opdracht tot dienstverlening. Eiseres, een makelaarskantoor, heeft een courtage in rekening gebracht nadat gedaagde partij een huurovereenkomst sloot voor een pand waarvoor eiseres een huurder had gezocht.

Gedaagden betwistten de hoogte van de courtage en de betaaltermijn, stellende dat de courtage te hoog was en te vroeg werd gevorderd. De kantonrechter oordeelde dat de vordering opeisbaar was bij het tot stand komen van de huurovereenkomst en dat eiseres voldoende had aangetoond dat gedaagde partij akkoord was gegaan met de hoogte van de courtagevergoeding.

Daarnaast werd de aansprakelijkheid van de bestuurders van de vennootschap vastgesteld op grond van onrechtmatige daad en interne bestuurdersaansprakelijkheid, omdat zij zonder geldige reden de betaling belemmerden. De kantonrechter veroordeelde gedaagden hoofdelijk tot betaling van de hoofdsom, handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de courtagevergoeding, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12045297 \ CV EXPL 26-71
Vonnis van 16 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: In-Kas Intermediair BV,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [vestigingsplaats 2] ,
2.
FOR B.V.,
te Meppel,
3.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: ‘ [gedaagde 1] ’, ‘For’, ‘ [gedaagde 2] ’ en gezamenlijk ‘ [gedaagden] ’,
procederend in persoon.

1.Samenvatting

1.1
In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagden] op grond van de met [eiseres] gesloten overeenkomst opdracht tot dienstverlening recht heeft op courtage. [gedaagden] heeft de courtage niet betaald, omdat zij vindt dat het bedrag te hoog is en de betaaltermijn niet reëel is. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] de overeengekomen courtage moet betalen en legt hierna uit waarom.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 december 2025,
- de conclusie van antwoord van 17 maart 2026,
- de conclusie van repliek van 2 april 2026,
- de conclusie van dupliek van 19 mei 2026.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1
[eiseres] exploiteert een makelaarskantoor, dat bemiddelt bij handel, huur en verhuur van onroerende goederen.
3.2
Op 2 april 2025 heeft [gedaagde 2] een pand aan de [adres] gekocht.
3.3
Op 2 april 2025 hebben [gedaagde 1] en [eiseres] een opdracht tot dienstverlening getekend op grond waarvan [eiseres] zich heeft verplicht om een huurder te zoeken voor het pand aan de [adres] .
3.4
Op 22 augustus 2025 heeft [gedaagde 1] met een nieuwe huurder een huurovereenkomst met een ingangsdatum van 1 januari 2026 gesloten.
3.5
[eiseres] heeft per factuur (nummer [factuurnummer] ) van 18 september 2025 bij [gedaagde 1] een courtagevergoeding van € 8.712,00 in rekening gebracht.

4.Het geschil

4.1
[eiseres] vordert dat de kantonrechter [gedaagden] , hoofdelijk, veroordeelt tot betaling van € 8.712,00 aan hoofdsom, € 202,63 aan handelsrente berekend vanaf de datum verzuim tot de dag der dagvaarding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 8.712,00 vanaf de dag der dagvaarding tot aan die dag der algehele voldoening, € 810,60 aan buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.
4.2
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag – kort weergegeven – dat zij met [gedaagde 1] een opdracht tot dienstverlening voor de verhuur van het pand aan de [adres] heeft gesloten, uit hoofde waarvan [gedaagde 1] courtage is verschuldigd. Naast [gedaagde 1] , zijn For en [gedaagde 2] als bestuurders hoofdelijk aansprakelijk jegens [eiseres] op grond van artikel 6:162 BW Pro, artikel 2:9 BW Pro en artikel 2:11 BW Pro.
4.3
[gedaagde 2] voert namens [gedaagden] verweer.
4.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De hoofdsom
Courtagevergoeding
5.1
Niet in geschil is dat [gedaagde 2] , als bestuurder van [gedaagde 1] , de opdracht tot dienstverlening heeft getekend en dat op [eiseres] de inspanningsverplichting rust en dat [gedaagde 1] bij het volbrengen van de opdracht een courtagevergoeding is verschuldigd. Voor het pand is een huurovereenkomst tot stand gekomen. [gedaagde 1] is dus in beginsel verplicht tot betaling van een courtagevergoeding.
Betaaltermijn en opeisbaarheid
5.2
In de eerste plaats voert [gedaagde 2] aan dat de betaaltermijn niet reëel is. De courtage wordt namelijk al in rekening gebracht voordat de huurovereenkomst ingaat op 1 april 2026. Voor wat betreft de hoogte stelt hij dat hij het pand heeft gekocht via [eiseres] . Op dat moment is [gedaagde 2] voorgehouden dat er een goede huurder was voor het pand. [gedaagde 2] heeft hiervoor een opdracht tot dienstverlening getekend. Het in rekening brengen van de volledige courtage is dan ook niet reëel.
5.3
[eiseres] voert hiertoe aan dat in artikel 21 van Pro de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de opdracht tot dienstverlening staat dat de vordering opeisbaar is op het moment het moment van tot stand komen van de huurovereenkomst. De huurovereenkomst is op 22 augustus 2025 totstandgekomen en daarom is de vordering opeisbaar.
5.4
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] het verweer van [gedaagde 2] voldoende gemotiveerd heeft weersproken, zodat is komen vast te staan dat de vordering opeisbaar is.
Hoogte courtagevergoeding
5.5
In de tweede plaats voert [gedaagde 2] aan dat een te hoog bedrag aan courtage in rekening is gebracht. Hij voert hiertoe aan dat hij het pand heeft gekocht via [eiseres] en dat er al een goede huurder in beeld was. [gedaagde 2] heeft hiervoor op de dag van aankoop van het pand de opdracht tot dienstverlening getekend. Het in rekening brengen van de volledige courtagevergoeding is dan ook niet reëel.
5.6
[eiseres] voert hiertoe aan dat bij aankoop van het pand door [gedaagde 1] de geïnteresseerde huurder al in beeld was. De koopovereenkomst voor de aankoop is getekend op 2 april 2025 om 14.27. De opdracht tot dienstverlening voor de verhuur van het pand is getekend op 2 april 2025 om 16:00. In de opdracht tot dienstverlening staat vermeld dat er een korting wordt verleend bij verhuur aan de beoogde huurder. [gedaagde 2] was en is volledig op de hoogte bij de aankoop van het object in en bij het ondertekenen van de opdracht tot dienstverlening. [gedaagde 2] is toen akkoord gegaan met de courtage. Het bevreemdt [eiseres] dan ook dat [gedaagde 2] de hoogte betwist.
5.7
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] voldoende heeft aangetoond dat [gedaagde 1] , de opdrachtgever, akkoord is gegaan met de hoogte van de courtagevergoeding. Daarentegen heeft [gedaagde 2] de stellingen van [eiseres] onvoldoende gemotiveerd weersproken.
5.8
Voor zover [gedaagde 2] in zijn verweer bij conclusie van dupliek heeft bedoeld dat [eiseres] de opdracht tot dienstverlening niet goed heeft uitgevoerd, laat de kantonrechter dit verweer buiten beschouwing. In artikel 128 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is namelijk het volgende opgenomen:
“De gedaagde brengt alle excepties en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren, op straffe van verval van de niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale is geantwoord, van het recht om dat alsnog te doen.”Dit houdt in dat de betwisting van de vordering zoals gedaan bij conclusie van dupliek gedaan had moeten worden bij conclusie van antwoord. De sanctie hierop is dat er geen rekening wordt gehouden met dit verweer. Dit verweer is bovendien niet onderbouwd en gemotiveerd, zodat het ook om deze reden geen stand kan houden.
5.9
De kantonrechter zal [gedaagde 1] veroordelen tot betaling van een bedrag van € 8.712,00.
Aansprakelijkheid For en [gedaagde 2] op grond van artikel 6:162 (onrechtmatige daad) en artikel 2:9 en Pro 2:11 BW (interne bestuurdersaansprakelijkheid)
5.1
Volgens [eiseres] zijn For en [gedaagde 2] aansprakelijk jegens [eiseres] op grond van de artikelen 6:162 BW, artikel 2:9 BW Pro en artikel 2:11 BW Pro. For en [gedaagde 2] hebben namelijk bewerkstelligd dat [gedaagde 1] haar betalingsverplichting tegenover [eiseres] niet nakomt.
5.11
Bij de beoordeling stelt de kantonrechter het volgende voorop. Uitgangspunt is dat een bestuurder niet aansprakelijk is voor de schulden van de door haar bestuurde vennootschap. Onder omstandigheden kan op dat uitgangspunt een uitzondering worden aanvaard. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen) volgt samengevat dat een bestuurder slechts aansprakelijk kan worden gehouden vanwege het door de vennootschap onbetaald laten van een vordering indien deze bestuurder (i) bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (Beklamel-norm), dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelswijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.
5.12
De kantonrechter is van oordeel dat For en [gedaagde 2] als bestuurder(s) van [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] lijdt doordat de vennootschap haar betalingsverplichting niet nakomt. For en [gedaagde 2] zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld van [gedaagde 1] . Vast is komen te staan dat For en [gedaagde 2] hebben bewerkstelligd dat [gedaagde 1] niet voldoet aan haar betalingsverplichting aan [eiseres] . Uit de conclusie van antwoord en dupliek volgt namelijk dat [gedaagde 2] niet betaald omdat hij de courtagevergoeding te hoog en niet reëel vindt. Hierboven is echter overwogen dat dat niet zo is. Daarbij hadden For en [gedaagde 2] wisten en hadden moeten weten dat zij (een deel) van de courtagevergoeding hadden moeten betalen omdat zij hiervoor een opdracht tot dienstverlening hebben getekend. Zij hebben echter, zonder valide reden, bewerkstelligd dat [gedaagde 1] haar betalingsverplichting niet nakomt. Daarvan valt hen een persoonlijk ernstig verwijt te maken.
De bijkomende kosten
Buitengerechtelijke incassokosten
5.13
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 810,60 worden toegewezen.
Wettelijke handelsrente
5.14
[eiseres] vordert de wettelijke handelsrente van € 202,63, berekend tot aan de dag der dagvaarding. Verder vordert zij vergoeding van wettelijke handelsrente over € 8.712,00 vanaf de dag der dagvaarding tot aan die dag der algehele voldoening. Deze vorderingen zijn toewijsbaar, omdat de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 1] kwalificeert als een handelsovereenkomst en [gedaagde 2] de vorderingen verder niet heeft weersproken.
Proceskosten
5.15
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
245,51
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.668,51.
5.16
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat als de een betaald de ander daarvan bevrijd is, om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 9.725,23, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 8.712,00, met ingang van 18 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat als de een betaald de ander daarvan bevrijd is, in de proceskosten van € 1.668,51, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.