Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.Samenvatting
2.De procedure
- het tussenvonnis van 22 april 2026 (hierna: het tussenvonnis);
- de akte van [eiser] van 6 mei 2026 met producties;
- de akte van [gedaagde] van 20 mei 2026;
- de mail van [eiser] van 20 mei 2026, waarin hij bezwaar maakt tegen de akte van [gedaagde] en verzoekt deze akte geheel buiten beschouwing te laten.
3.De verdere beoordeling
hypothetische situatie
huidige situatienog niet kon worden gemaakt, omdat informatie over [eiser]’s inkomsten uit het betaalde werk dat hij gedurende de opzegtermijn (4 april 2025 tot en met 31 juli 2025) voor andere opdrachtgevers had verricht, ontbrak. De rechtbank heeft [eiser] daarom in de gelegenheid gesteld om bij akte nadere informatie hierover te verschaffen. Vervolgens is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte op de door [eiser] verschafte informatie reageren.
- dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij verplicht is tot vergoeding van enige schade, en wel omdat zij niet in verzuim is geraakt;
- dat de rechtbank bij de berekening van [eiser]’s inkomen in de hypothetische situatie ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat [eiser] gedurende de opzegtermijn van 17 weken gemiddeld 51 uur per week zou zijn ingezet door [gedaagde].