ECLI:NL:RBOVE:2026:3920

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 25/2220
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:72 AwbArt. 22.63 Omgevingsplan Raalte
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Overijssel vernietigt besluit college over proceskostenvergoeding in bezwaar geluidsoverlast

De zaak betreft een geschil over geluidsoverlast veroorzaakt door een koelinstallatie van een bedrijf nabij de woningen van eisers. Na metingen bleek dat de geluidsnorm in de nachtperiode werd overschreden. Het college wees het verzoek om handhavend optreden aanvankelijk af, waarna eisers bezwaar maakten en een voorlopige voorziening werd toegewezen die handhaving beval.

Het college nam vervolgens een herzien besluit waarin het handhavend optreden werd toegewezen voor één perceel, maar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en weigerde proceskostenvergoeding toe te kennen. De rechtbank oordeelt dat het college het eerdere besluit had moeten intrekken vanwege onrechtmatigheid en dat het niet toekennen van proceskostenvergoeding onterecht was.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en stelt zelf een vergoeding van €1.332,- in bezwaar en €1.868,- in beroep vast. Tevens wordt het griffierecht van €194,- aan eisers vergoed. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de niet-ontvankelijkverklaring.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit over de proceskostenvergoeding en stelt zelf een vergoeding vast aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2220

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , wonende te [woonplaats] ,

hierna gezamenlijk te noemen: [eisers]
(gemachtigde: mr. L. Lok),
en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte

(gemachtigde: C. van Olst).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift van [eisers] door het college. [eisers] zijn het hier niet mee eens. Zij voeren verder aan dat het college ten onrechte geen proceskostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een proceskostenvergoeding in bezwaar had moeten toekennen aan [eisers] . Aan een beoordeling van de niet-ontvankelijkverklaring in bezwaar komt de rechtbank niet toe. [eisers] krijgen dus gelijk en het beroep is daarmee gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. [eiser 2] is woonachtig aan de [adres 1] . [eiser 1] is woonachtig aan de [adres 2] . [bedrijf 1] is gevestigd aan de [adres 3] .
4. Op 2 september 2025 heeft [eiser 2] , mede namens de (mede)bewoners van [adres 2] en [adres 1] en de eigenaar van de percelen [adres 2] en [adres 4] , [bedrijf 2] B.V., het college verzocht om handhavend op te treden tegen de geluidsoverlast die wordt veroorzaakt door een koelinstallatie van [bedrijf 1] .
5. Namens het college heeft de Omgevingsdienst IJsselland geluidsmetingen uitgevoerd van 14 oktober 2024 tot en met 17 oktober 2024 en van 8 november 2024 tot en met 11 november 2024. De metingen hebben plaatsgevonden nabij de slaapkamers van de woningen aan de [adres 2] en de [adres 1] . Op basis van dit geluidsonderzoek is geconcludeerd dat met betrekking tot het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de woning aan de [adres 2] de geluidsnorm in de nachtperiode wordt overschreden met 4 dB.
6. Bij brief van 21 januari 2025 heeft het college het voornemen uitgesproken om handhavend op te treden tegen de overschrijding van het geluidsniveau op het adres [adres 2] (de woning van [eiser 1] ), en voor het adres [adres 1] (de woning van [eiser 2] ) het handhavingsverzoek af te wijzen. [eisers] hebben een zienswijze gegeven op dit voornemen.
7. Bij brief van 5 maart 2025 hebben [eisers] het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op het verzoek om handhavend optreden.
8. Bij besluit van 28 maart 2025 heeft het college het verzoek om handhavend optreden van [eisers] integraal afgewezen, omdat [bedrijf 1] in de tussentijd maatregelen had getroffen waardoor de geluidswaarden binnen de afgesproken norm zouden blijven. [eisers] hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
9. Bij uitspraak van 27 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het college opgedragen om handhavend op te treden tegen overschrijding van geluidsnormen tussen 23:00 uur en 07:00 uur, middels het doen uitschakelen van de koelingsunit.
10. Op 30 juni 2025 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan [bedrijf 1] , inhoudende de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden door ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de geluidsnormen uit artikel 22.63, eerste lid, van het Omgevingsplan Raalte, ter plaatse van [adres 2] .
11. Bij besluit van 4 juli 2025 heeft het college het besluit van 28 maart 2025 herzien en besloten om het verzoek om handhavend optreden toe te wijzen ten aanzien van het perceel [adres 2] . Ten aanzien van de percelen [adres 4] en [adres 1] bleef het college bij de eerdere afwijzing. Het bezwaar van [eisers] ziet van rechtswege ook op dit herziene besluit.
12. Bij beslissing op het bezwaar van 4 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaarschrift van [eisers] niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Het college heeft het besluit van 4 juli 2025 daarbij in stand gelaten.
13. [eisers] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
14. [eisers] hebben op 19 mei 2026 aanvullende stukken ingediend, waaronder een brief van hen aan het college van 31 oktober 2025 waarin zij bevestigen dat de koelunit naar binnen is geplaatst, waardoor de geluidsoverlast is beëindigd.
15. Het college heeft op 27 mei 2026 een aanvullend stuk ingediend.
16. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eisers] en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

17. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [eisers] nog een procesbelang hebben in beroep bij de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.
18. [eisers] hebben aangevoerd dat hun procesbelang in beroep is gelegen in (1) een beoordeling van de niet-ontvankelijkverklaring in het bestreden besluit en (2) in het feit dat het college ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in bezwaar.
19. Ten aanzien van het eerste punt overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak het hebben van een louter formeel of principieel belang onvoldoende is voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Dat [eisers] een juridisch oordeel wensen over de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaar, betekent niet dat zij een actueel en reëel belang hebben bij de beoordeling van hun beroep. Zij hebben immers (feitelijk/materieel) reeds bereikt wat zij voor ogen hadden: de beëindiging van de geluidsoverlast. Een oordeel van de rechtbank heeft daarom geen feitelijke/materiële betekenis meer. De rechtbank zal echter toch procesbelang aannemen vanwege de tweede reden, de proceskostenvergoeding in bezwaar. Zij overweegt hiertoe als volgt.
20. Volgens artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) worden de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
21. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) levert de enkele weigering bezwaarkosten te vergoeden niet een zelfstandig procesbelang op. Als uitzondering hierop geldt dat toch procesbelang aanwezig moet worden geacht als (i) het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of (ii) als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. De rechterlijke beoordeling blijft dan in beginsel beperkt tot de gegeven beslissing over de bezwaarkosten als zodanig. [1]
22. De onder (i) genoemde uitzondering doet zich in dit geval voor. In de bezwaarfase heeft het college op 4 juli 2025 een herstelbesluit genomen, naar aanleiding van de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van 27 mei 2025. In dit herstelbesluit (oftewel herziene besluit) wordt feitelijk deels aan de bezwaren tegemoet gekomen en alsnog handhavend opgetreden tegen de vastgestelde overschrijding van de geluidsnormen op het perceel [adres 2] . Het college heeft in het herziene besluit ten onrechte geconstateerd dat de voorlopige voorzieningenrechter het primaire besluit van 28 maart 2025 heeft vernietigd. De voorlopige voorzieningenrechter heeft echter enkel het college opgedragen handhavend op te treden. Het college had dus in het besluit van 4 juli 2025 het eerder genomen besluit van 28 maart 2025 moeten intrekken. De rechtbank overweegt vervolgens dat het naar aanleiding van een daartegen gemaakt bezwaar geheel of gedeeltelijk intrekken van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid, voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb op één lijn moet worden gesteld met het geheel of gedeeltelijk herroepen - met toepassing van artikel 7:11 van Pro de Awb - van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid. [2]
23. Nu het college met het besluit van 4 juli 2025 het eerder genomen primaire besluit van 28 maart 2025 had moeten intrekken wegens een gebleken onrechtmatigheid (het niet handhavend optreden tegen de geconstateerde overtreding), en dus feitelijk sprake was van een gegrond bezwaar, heeft het college ten onrechte geen proceskosten vergoed, terwijl [eisers] daar wel om hadden verzocht.
24. De rechtbank overweegt tot slot dat het betoog van het college dat er bij een niet-ontvankelijkverklaring in bezwaar niet kan worden toegekomen aan een proceskostenvergoeding, geen steun vindt in het recht. [3]
25. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het niet toekennen van een proceskostenvergoeding, vernietigen. De rechtbank zal hierna, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien en de proceskostenvergoeding in bezwaar vaststellen.
26. In lijn met het hiervoor genoemde in de rechtspraak ontwikkelde uitgangspunt zal de rechtbank haar oordeel beperken tot de beslissing over de bezwaarkosten. De rechtbank komt dus niet toe aan een oordeel over de niet-ontvankelijkverklaring in bezwaar.

Conclusie en gevolgen

27. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat [eisers] gelijk krijgen. Het college had een proceskostenvergoeding in bezwaar moeten toekennen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dat ziet op het niet toekennen van een proceskostenvergoeding.
28. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat het college een proceskostenvergoeding aan [eisers] moet vergoeden ter hoogte van € 1.332,-. De rechtbank heeft deze vergoeding met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen [eisers] een vast bedrag per rechtshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. De gemachtigde van [eisers] heeft een bezwaarschrift ingediend en de hoorzitting bijgewoond.
29. Omdat het beroep gegrond is moet het college ook het griffierecht aan [eisers] vergoeden en krijgen [eisers] ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De proceskostenvergoeding in beroep bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 augustus 2025 voor zover dat ziet op het niet toekennen van een proceskostenvergoeding;
- bepaalt dat het college een proceskostenvergoeding aan [eisers] moet vergoeden ter hoogte van € 1.332,- voor de gemaakte kosten in bezwaar en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eisers] moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten in beroep aan [eisers] .
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2323.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT7365.
3.Vergelijk een uitspraak van de Hoge Raad van 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988, r.o. 3.5.3.