ECLI:NL:RBOVE:2026:3762

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 25/3242
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 OmgevingswetArt. 11.27 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 11.54 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 5:6 Algemene wet bestuursrechtArt. 3:2 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing handhavingsverzoek werkzaamheden nabij dassenburcht

Stichting Twickel verzocht gedeputeerde staten van Overijssel om handhavend op te treden tegen TenneT vanwege werkzaamheden in de buurt van een dassenburcht. Gedeputeerde staten wezen dit verzoek af, waarna Twickel beroep instelde bij de rechtbank Overijssel.

De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten het handhavingsverzoek ten onrechte hebben afgewezen. TenneT heeft de specifieke zorgplicht uit artikel 11.27, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geschonden door na meerdere blow-outs tijdens boringen niet nader onderzoek te verrichten of aanvullende maatregelen te treffen. Dit betekent dat gedeputeerde staten bevoegd waren om handhavend op te treden.

Hoewel de dassenburcht niet aantoonbaar is beschadigd en er geen dassen zijn gedood of gevangen, is de onderzoeksplicht geschonden. Omdat de werkzaamheden inmiddels volledig zijn afgerond, is er geen belang meer bij handhavend optreden en hoeven gedeputeerde staten geen nieuw besluit te nemen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en veroordeelt gedeputeerde staten tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan Twickel.

Uitkomst: Het beroep van Twickel wordt gegrond verklaard en het besluit van gedeputeerde staten wordt vernietigd wegens schending van de onderzoeksplicht, maar handhavend optreden is niet meer nodig omdat de werkzaamheden zijn afgerond.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3242

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Stichting Twickel, uit Ambt Delden, eiseres, hierna: Twickel

(gemachtigde: mr. R.S. Wertheim)
en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder,

hierna: gedeputeerde staten
(gemachtigde: [gemachtigde])
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: TenneT TSO B.V. uit Arnhem, hierna: TenneT
(gemachtigde: mr. M.J.O. Copier).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over een door Twickel ingediend verzoek om handhavend op te treden vanwege door TenneT verrichte werkzaamheden in de buurt van een dassenburcht in Ambt Delden. Gedeputeerde staten hebben dit verzoek afgewezen. Twickel is het niet eens met de afwijzing van het verzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Naar het oordeel van de rechtbank hebben gedeputeerde staten het handhavingsverzoek ten onrechte afgewezen. Bij het optreden van de blow-outs had het op de weg van TenneT gelegen nader onderzoek te doen. Hierdoor is sprake van een schending van de onderzoeksplicht door TenneT. Het beroep is daarom gegrond. Omdat de werkzaamheden inmiddels volledig zijn afgerond, is er geen belang meer bij handhavend optreden. Daarom hoeven gedeputeerde staten geen nieuw besluit meer te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Twickel heeft gedeputeerde staten bij brief van 22 november 2024 gevraagd om handhavend op te treden bij werkzaamheden in de buurt van een dassenburcht. Gedeputeerde staten hebben dit verzoek afgewezen bij besluit van 31 januari 2025.
1.1.
Met het bestreden besluit van 17 september 2025 op het bezwaar van Twickel zijn gedeputeerde staten bij deze afwijzing gebleven.
1.2.
Twickel heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens Twickel de gemachtigde en ir. [naam 1] (rentmeester), de gemachtigde van gedeputeerde staten en namens TenneT de gemachtigde en ir. [naam 2] (adviseur ruimtelijke ordening en milieu) en mr. M. Blomaard (bedrijfsjurist). Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met de zaaknummers ZWO 25/1421 en ZWO 25/1402. In die beroepen zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding
2. TenneT is de netbeheerder voor het Nederlandse hoogspanningsnet voor elektriciteit. Om aan de vraag naar elektriciteit te kunnen voldoen en overbelasting van het elektriciteitsnetwerk te voorkomen wil TenneT onder andere hoogspanningsstations vernieuwen, bestaande hoogspanningsverbindingen versterken en nieuwe ondergrondse hoogspanningskabels aanleggen. Het bestaande elektriciteitsnet in Overijssel wordt uitgebreid met drie nieuwe ondergrondse 110kV-kabelverbindingen tussen de bestaande hoogspanningsstations Nijverdal - Rijssen, Almelo Mosterdpot - Hengelo Weideweg en Hengelo Weideweg - Hengelo Oele.
2.1.
De nieuwe ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbindingen worden gedeeltelijk aangelegd door middel van een open ontgraving en gedeeltelijk door middel van een gestuurde boring. De ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbindingen lopen vele kilometers door/over percelen waarvan Twickel eigenaar is. Twickel beheert daar een landgoed en de percelen worden gebruikt ten behoeve van de aanleg en instandhouding van natuur en/of ten behoeve van agrarische doeleinden.
2.2.
In mei 2024 is TenneT op percelen van Twickel gestart met werkzaamheden gericht op de aanleg van een nieuwe hoogspanningsverbinding.
2.3.
Naar aanleiding van een door Twickel ingediend handhavingsverzoek hebben gedeputeerde staten op 29 mei 2024 een last onder dwangsom aan TenneT opgelegd. Gelast is om de overtreding van artikel 4.3, derde lid, aanhef en sub d, van de Omgevingswet in combinatie met artikel 11.27, tweede lid, aanhef en sub a, aanhef en onder 4º, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) niet opnieuw te begaan tijdens werkzaamheden op het grondgebied van de provincie Overijssel.
2.4.
Op 22 november 2024 heeft Twickel in verband met werkzaamheden van TenneT in de buurt van de Arkmansweg 3 aan gedeputeerde staten gevraagd om spoedeisende bestuursdwang toe te passen en de werkzaamheden stil te leggen. Hierbij heeft Twickel erop gewezen dat bij het boren nabij de dassenburcht blow-outs zijn opgetreden.
Bestreden besluit
3. Gedeputeerde staten hebben dit verzoek om handhaving afgewezen, omdat zij op basis van verschillende controles niet hebben geconstateerd dat de wettelijke verbodsbepalingen van artikel 11.54 en/of artikel 11.27, eerste lid, van het Bal zijn overtreden. Omdat gedeputeerde staten geen overtreding hebben geconstateerd is er geen mogelijkheid om handhavend op te treden of spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Wat betreft artikel 11.27, tweede lid, van het Bal hebben gedeputeerde staten overwogen dat al een last onder dwangsom aan TenneT is opgelegd en dat het niet mogelijk is om twee keer een last onder dwangsom op te leggen, gelet op artikel 5:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Wettelijk kader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet natuurbescherming is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving is gedaan op 22 november 2024. Dat betekent dat in dit geval de Omgevingswet van toepassing is.
Overwegingen
Procesbelang
5. Niet is betwist dat de ondergrondse hoogspanningsverbinding inmiddels gereed is en dat de werkzaamheden in verband met de aanleg daarvan nabij de Arkmansweg zijn afgerond.
6. Volgens vaste rechtspraak [1] kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep onder meer bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van de betrokken bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het besluit.
7. Twickel heeft gesteld schade te hebben, omdat zij externen heeft moeten inhuren toen de blow-outs ontstonden.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Twickel hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van het niet-handhavend optreden door gedeputeerde staten. Gelet hierop heeft Twickel belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
De last onder dwangsom van 29 mei 2024
9. De rechtbank overweegt allereerst dat bij uitspraak van vandaag het beroep gericht tegen het besluit van 3 april 2025, waarbij de last onder dwangsom van 29 mei 2024 in stand is gelaten, gegrond is verklaard. [2] De rechtbank heeft in die uitspraak het besluit van 3 april 2025 vernietigd en tevens het besluit van 29 mei 2024 herroepen.
Schending van artikel 11.54 van het Bal?
10. Twickel heeft zich onder verwijzing naar het rapport van [naam 3] op het standpunt gesteld dat een beschermde rust- en voortplantingsplaats, de dassenburcht nabij de Arkmansweg 3, door de werkzaamheden van TenneT is aangetast. Volgens Twickel is artikel 11.54 van het Bal hierdoor geschonden.
10.1.
Op grond van artikel 11.54, eerste lid, van het Bal geldt het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten voor:
a. het opzettelijk doden of vangen;
b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van de dieren als bedoeld onder a.,
van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A bij het Bal.
De das is genoemd in deze bijlage.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is – gelet op de overgelegde controlerapporten – niet aannemelijk geworden dat de dassenburcht is aangetast door de door TenneT uitgevoerde werkzaamheden. Hoewel Twickel lijkt te menen dat mogelijk bentoniet in de dassenburcht is gekomen, omdat er ook blow-outs in de omgeving hebben plaatsgevonden, is geen bentoniet bij de uitgangen van de dassenburcht aangetroffen en staat vast dat na afronding van de werkzaamheden dassen in de burcht zijn geweest, zij het kort. Daarom kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een opzettelijk beschadigde of vernielde vaste voortplantingsplaats dan wel rustplaats van de das. Evenmin is gebleken van opzettelijk gedode of gevangen dassen. Dit betekent dat bij de werkzaamheden van TenneT nabij de dassenburcht geen schending van artikel 11.54 van het Bal heeft plaatsgevonden. Gedeputeerde staten hadden dan ook niet de bevoegdheid om in verband hiermee tot handhaving over te gaan.
Schending van artikel 11.27 van het Bal?
12. De rechtbank heeft in een uitspraak van vandaag de last onder dwangsom van 29 mei 2024 herroepen. De verwijzing van gedeputeerde staten in het hier bestreden besluit naar artikel 5:6 van Pro de Awb in relatie tot artikel 11.27, tweede lid, van het Bal kan reeds daarom geen stand houden.
13. Twickel heeft zich op het standpunt gesteld dat het door TenneT ingeschakelde bureau [bedrijf] de dassenburcht had moeten opmerken. Door dat niet te doen is sprake van een overtreding van de specifieke zorgplicht in artikel 11.27, tweede lid, van het Bal. Volgens Twickel is met de lekkage van bentoniet als gevolg van de blow-outs vervolgens sprake van een nieuwe overtreding.
14. Gedeputeerde staten en TenneT hebben voor wat betreft het verrichte onderzoek verwezen naar de Natuurtoets van [bedrijf] van 17 juli 2024. Hierin is vermeld dat een das holen/burchten in vergraafbare grond maakt waarbij vaak terrein met enig reliëf wordt verkozen. Dergelijk leefgebied wordt door middel van gestuurde boringen ontzien. Verder is in de Natuurtoets vermeld dat op een verlaten hol van vermoedelijk een vos na, geen holen of andere verblijfplaatsen zijn aangetroffen. Oevers van watergangen en grasland met agrarische functie kunnen door met name das, boommarter, steenmarter, bunzing, wezel en egel als foerageergebied gebruikt worden. In oevers van een watergang in een bos op meer dan 100 meter afstand van het plangebied zijn mestputjes van een das aangetroffen.
14.1.
Volgens gedeputeerde staten en TenneT is hiermee voldaan aan de onderzoeksverplichting. TenneT heeft [bedrijf] ingeschakeld en in de Natuurtoets van [bedrijf] is de dassenburcht weliswaar niet vermeld, maar gelet op de gestuurde boring maakt dit niet uit. Wat betreft de blow-outs hebben zowel gedeputeerde staten als TenneT zich op het standpunt gesteld dat deze niet te voorzien waren.
15. De rechtbank leidt uit het verhandelde op de zitting en het procesdossier af dat op 18 november 2024 drie blow-outs zijn geconstateerd ten gevolge van de pilotboring die was gestart op 15 november 2024. TenneT heeft vervolgens aanpassingen gedaan, waaronder het vervangen van de boorkop en op 22 november 2024 vond de eerste zogeheten ruimgang plaats. Op die datum, tegen iedere verwachting in, werden opnieuw twee blow-outs geconstateerd. Op 25 november 2024 vond een tweede ruimgang en een zogeheten barrelrun plaats en op 28 november 2024 werd een derde ruimgang uitgevoerd. Op diezelfde datum is een volgende blow-out geconstateerd.
16. Anders dan gedeputeerde staten hebben aangenomen, is de rechtbank van oordeel dat TenneT de specifieke zorgplicht uit artikel 11.27, tweede lid, van het Bal heeft overtreden. Op basis van de Natuurtoets van [bedrijf] heeft TenneT met de pilotboringen kunnen starten. Toen echter niet alleen de pilotboring blow-outs veroorzaakte maar ook daarna – tegen iedere verwachting in – op 22 november 2024 weer twee blow-outs waren geweest, lag het op de weg van TenneT om op dat moment na te gaan of en eventueel welke maatregelen genomen moesten worden om schade door de werkzaamheden aan voor de das belangrijk leefgebied en/of de dassenburcht te voorkomen dan wel een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aan te vragen. TenneT was op dat moment immers op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van de dassenburcht en bekend met de ontstane blow-outs. Het uitgangspunt van het onderzoek van [bedrijf] dat het leefgebied van grondgebonden soorten zoals de das met de ondergrondse boring wordt ontzien, ging gelet op de blow-outs niet meer volledig op. Gelet op het voorgaande waren gedeputeerde staten bevoegd om handhavend op te treden en werd het verzoek om handhaving ten onrechte afgewezen. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat de rechtbank het bestreden besluit van 17 september 2025 zal vernietigen. Daarmee wordt voldaan aan het procesbelang van Twickel.

Conclusie en gevolgen

17. In deze procedure is sprake van een situatie waarbij de hoogspanningsverbinding inmiddels gereed is en alle werkzaamheden van TenneT in verband met de aanleg daarvan zijn afgerond. Niet te voorzien is dat deze werkzaamheden op deze locatie nogmaals zullen plaatsvinden. Daarom is er op dit moment geen belang meer bij handhavend optreden. Dat maakt dat gedeputeerde staten niet opnieuw op het bezwaar van Twickel hoeven te beslissen en de rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
18. Omdat het beroep van Twickel gegrond is, moeten gedeputeerde staten het griffierecht aan Twickel vergoeden en krijgt Twickel een vergoeding van de proceskosten.
18.1.
Deze worden begroot op € 3.200,- (1 punt voor het instellen van beroep, 1 punt voor de zitting, € 934,- per punt; 1 punt voor het bezwaarschift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, € 666,- per punt).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 september 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dit besluit;
- veroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van Twickel, die begroot worden op € 3.200,-;
- bepaalt dat gedeputeerde staten het griffierecht van € 385,- aan Twickel moeten vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzitter, en mr. E.C. Rozeboom en mr. W.J.B. Cornelissen, leden, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 maart 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:1050.
2.Zie de uitspraak van de rechtbank Overijssel in de zaaknummers 25/1421 en 25/1402.