ECLI:NL:RBOVE:2026:3742

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_2207
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Brief Inspectie Leefomgeving en Transport geen besluit in bezwaarprocedure over onderzoek elektrische rolstoelen

De zaak betreft de vraag of een brief van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) waarin wordt geconcludeerd dat het onderzoek van een bedrijf naar het vervoeren van elektrische rolstoelen in stadsbussen niet vooringenomen is, kan worden aangemerkt als een besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk is.

Eiser stelde bezwaar in tegen deze brief en vervolgens beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De minister heeft later alsnog op het bezwaar beslist en het niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen, omdat het doel daarvan is bereikt met het alsnog genomen besluit en de toegekende dwangsom.

De rechtbank stelt vast dat de brief van de ILT geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, omdat deze geen rechtsgevolg heeft en slechts een grondslag kan vormen voor nadere besluitvorming. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt daarom ongegrond verklaard. De minister moet het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond omdat de brief geen besluit is.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2207

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

hierna: [eiser],
en

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

hierna: de minister.

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de vraag of sprake is van een besluit waartegen [eiser] kan opkomen, toen de Inspectie Leefomgeving en Transport een brief stuurde waarin zij tot de conclusie komt dat de door [bedrijf] B.V. uitgevoerde onderzoeken naar het vervoeren van elektrische rolstoelen in stadsbussen niet vooringenomen zijn. [eiser] meent dat deze brief een besluit is en heeft daartegen bezwaar ingesteld. Wegens het niet tijdig beslissen op dit bezwaar heeft [eiser] vervolgens beroep ingesteld. Bij het bestreden besluit heeft de minister alsnog op het bezwaar beslist en het niet-ontvankelijk verklaard.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] geen belang meer bij het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar en verklaart het beroep daarom in zoverre niet-ontvankelijk. Het beroep tegen bestreden besluit verklaart de rechtbank ongegrond omdat de brief geen besluit is.

Feiten en procesverloop

1.1.
[bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]) verbiedt al enige tijd elektrische rolstoelen in stadsbussen. In de periode april 2018 tot november 2018 heeft [bedrijf] onderzoek gedaan naar veiligheidsrisico’s van elektrische rolstoelen in stadsbussen en zij heeft geconcludeerd dat de huidige rolstoelvoorzieningen in de stadsbussen niet toereikend zijn om veilig vervoer van elektrische rolstoelen mogelijk te maken.
1.2.
Metropoolregio Rotterdam Den Haag (hierna: MRDH) heeft aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) gevraagd om zich uit te laten over de vraag of het hiervoor genoemde door [bedrijf] uitgevoerde onderzoek zonder vooringenomenheid heeft plaatsgevonden en de status van ‘onafhankelijk onderzoek’ kan krijgen.
1.3.
Bij brief van 9 augustus 2019 heeft de ILT aan MRDH laten weten dat zij constateert dat het door [bedrijf] uitgevoerde onderzoek zonder vooringenomenheid heeft plaatsgevonden en dat er sprake is van een gedegen en objectieve onderzoeksmethode.
1.4.
[eiser] is het hier niet mee eens en maakt bezwaar.
1.5.
Bij e-mail van 30 juni 2025 heeft [eiser] de minister in gebreke gesteld omdat geen besluit is genomen op zijn bezwaar.
1.6.
[eiser] heeft op 14 juli 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar door de minister.
1.7.
Met het besluit van 15 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens hem geen sprake is van een besluit. Wegens het niet tijdig beslissen wordt een dwangsom toegekend van € 1.442,-.
1.8.
Bij brief van 7 november 2025 heeft [eiser] aanvullende gronden ingediend.
1.9.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hierbij was [eiser] aanwezig en de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.H.H. Bisschoff.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet tijdig beslissen op het door [eiser] ingediende bezwaar en het besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar.
Beroep niet tijdig beslissen
3. De rechtbank stelt vast dat [eiser] geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen. De minister heeft inmiddels besloten op het bezwaar (en een dwangsom toegekend van € 1.442,- wegens het niet tijdig beslissen). [eiser] heeft dan ook bereikt wat hij met het beroep niet tijdig beslissen wilde bereiken. De rechtbank zal het beroep niet tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Omdat het beroep niet tijdig beslissen wel terecht is ingesteld, de minister was immers te laat met het nemen van een beslissing op het bezwaar en [eiser] heeft de minister eerst op correcte wijze in gebreke gesteld voordat het beroep niet tijdig beslissen is ingediend, moet de minister het betaalde griffierecht aan [eiser] vergoeden.
Beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring
4. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit richt zich op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook tegen het alsnog genomen besluit. Met de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt namelijk niet tegemoetgekomen aan het beroep van [eiser].
5. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het besluit van de minister om het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren, in stand kan blijven of niet. Aan de orde is daarom in de eerste plaats of sprake is van een ‘besluit’.
Is sprake van een besluit?
6. De minister stelt zich op het standpunt dat de brief van 9 augustus 2019 geen besluit is. Deze brief dient uitsluitend als grondslag voor eventuele nadere besluitvorming, maar heeft op zichzelf geen rechtsgevolg en is daarmee geen rechtshandeling.
7. [eiser] is het niet eens met dit standpunt van de minister. Volgens hem heeft de brief van 9 augustus 2019 wel degelijk rechtsgevolgen gehad, nu de brief expliciet is gebruikt in gerechtelijke procedures. [eiser] wijst daarbij op het arrest van de civiele kamer van het gerechtshof Den Haag van 12 maart 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:352).
8. De rechtbank overweegt het volgende.
8.1.
Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip ‘rechtshandeling’ wordt bedoeld: een handeling gericht op rechtsgevolg.
8.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft een beslissing rechtsgevolg als zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon vast te stellen. [1]
8.3.
De rechtbank leest in de brief van 9 augustus 2019 dat twee inspecteurs van de ILT hebben onderzocht of het door [bedrijf] ingestelde onderzoek heeft plaatsgevonden zonder vooringenomenheid en of het de status van ‘onafhankelijk onderzoek’ kan krijgen. Aan de hand van een aantal gespecificeerde vragen komen zij tot de conclusie dat er geen sprake is van vooringenomenheid en dat er sprake is van een gedegen en objectieve onderzoeksmethode. Deze brief / conclusie van de inspecteurs heeft op zichzelf geen rechtsgevolg. Naar aanleiding hiervan ontstaat niet en wordt evenmin teniet gedaan een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen. Dat, zoals blijkt uit het door [eiser] aangehaalde arrest, het gerechtshof Den Haag de omstandigheid dat de ILT de door [bedrijf] uitgevoerde testen heeft goedgekeurd heeft laten meewegen in de rechterlijke beoordeling in een civiele zaak, maakt dit niet anders. De brief zou wel als grondslag kunnen dienen voor eventuele nadere besluitvorming. Tegen een eventueel nader besluit staan voor [eiser] in dat geval rechtsmiddelen open.
8.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de brief van 9 augustus 2019 geen besluit betreft in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Nu geen sprake is van een besluit, heeft de minister het bezwaar in het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar is niet-ontvankelijk omdat [eiser] geen belang meer heeft bij een uitspraak op dit punt. Omdat het beroep niet tijdig beslissen wel terecht is ingesteld moet de minister het betaalde griffierecht aan [eiser] vergoeden.
10. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond. [eiser] krijgt geen gelijk want de brief is geen besluit en het bezwaar is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. [eiser] krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan [eiser] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.G. Bulte, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie hierover bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019,