ECLI:NL:RBOVE:2026:3607
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Oplegging last onder dwangsom wegens overtreding gemeentelijk verbod drugshandel bevestigd
Eiser is meerdere malen in aanraking gekomen met de politie vanwege het bezit van harddrugs met dealerindicatie en is op 24 september 2024 door een cameraobservant betrapt op drie drugsdeals in Enschede. De burgemeester legde op 4 december 2024 een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 2.74 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), dat het handelen in drugs op openbare plaatsen verbiedt.
Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de burgemeester handhaafde het besluit. De rechtbank behandelde het beroep op 17 juni 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat het gemeentelijk verbod niet in strijd is met de Opiumwet omdat het een ander motief heeft, namelijk de bescherming van de openbare orde.
De rechtbank stelde vast dat de gedragingen van eiser voldoende vaststaan op basis van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal en dat de burgemeester bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen. Ook was de last voldoende bepaald en kenbaar. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de last onder dwangsom in stand blijft en eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens overtreding van het gemeentelijk verbod op drugshandel wordt ongegrond verklaard en het besluit van de burgemeester blijft in stand.