ECLI:NL:RBOVE:2026:3607

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
ZWO 25/2487
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:74 APVArt. 125 GemeentewetArt. 172 GemeentewetArt. 5:32 AwbArt. 4:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging last onder dwangsom wegens overtreding gemeentelijk verbod drugshandel bevestigd

Eiser is meerdere malen in aanraking gekomen met de politie vanwege het bezit van harddrugs met dealerindicatie en is op 24 september 2024 door een cameraobservant betrapt op drie drugsdeals in Enschede. De burgemeester legde op 4 december 2024 een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 2.74 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), dat het handelen in drugs op openbare plaatsen verbiedt.

Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de burgemeester handhaafde het besluit. De rechtbank behandelde het beroep op 17 juni 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat het gemeentelijk verbod niet in strijd is met de Opiumwet omdat het een ander motief heeft, namelijk de bescherming van de openbare orde.

De rechtbank stelde vast dat de gedragingen van eiser voldoende vaststaan op basis van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal en dat de burgemeester bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen. Ook was de last voldoende bepaald en kenbaar. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de last onder dwangsom in stand blijft en eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens overtreding van het gemeentelijk verbod op drugshandel wordt ongegrond verklaard en het besluit van de burgemeester blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2487
uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

hierna te noemen: [eiser],
(gemachtigde: mr. N. Roos),
en

de burgemeester van Enschede,

hierna te noemen: de burgemeester,
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan [eiser] opgelegde last onder dwangsom wegens overtreding van een gemeentelijk verbod van drugshandel. [eiser] is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat voldoende vaststaat dat [eiser] het in artikel 2.74 van de APV neergelegde verbod van drugshandel op straat heeft overtreden. De burgemeester mocht daarom een last onder dwangsom aan hem opleggen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2025 op het bezwaar van [eiser] is de burgemeester bij het besluit van 4 december 2024, waarbij een last onder dwangsom wegens het overtreden van het in artikel 2.74 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Enschede (hierna: APV) neergelegde verbod van drugshandel op straat aan [eiser] is opgelegd, gebleven.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen [gemachtigde] namens de burgemeester. [eiser] en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3.1.
[eiser], die geen vaste woon- en verblijfplaats heeft, verblijft een groot deel van de tijd in de gemeente Enschede. Hij is meermaals in aanraking gekomen met de politie in verband met het voorhanden hebben van harddrugs. [eiser] is tweemaal aangehouden voor het bezitten van harddrugs met dealerindicatie. Ook zijn ten aanzien van hem 17 ter plaatse uitgeschreven digitale processen-verbaal van aanhouding (digibonnen) opgemaakt in de periode van 60 maanden voorafgaand aan 1 oktober 2024.
3.2.
Op 1 oktober 2024 heeft de politie (politie-eenheid Oost-Nederland, basisteam Enschede) de burgemeester een bestuurlijke rapportage toegezonden, waarin hem is verzocht om tegen [eiser] een bestuurlijke maatregel te nemen en hem een last onder dwangsom op te leggen ter voorkoming van herhaling van strafbare feiten. Uit een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van een hoofdagent bij de politie, basisteam Enschede, van 14 januari 2025, blijkt dat een cameraobservant op 24 september 2024 heeft gezien dat [eiser] in zeer korte tijd drie maal een drugsdeal sloot op verschillende plekken in Enschede. Vervolgens is hij aangehouden door de politie. Bij de insluiting van [eiser] heeft de politie een substantie aangetroffen in zijn onderbroek. Daarnaast zijn een weegschaaltje, een zogeheten burner telefoon en € 550 in contant geld bij hem aangetroffen. Uit analyse van de bij [eiser] aangetroffen substantie is gebleken dat sprake was van cocaïne base. De ten aanzien van de drugsdeals op 24 september 2024 opgemaakte processen-verbaal zijn niet doorgezet en [eiser] heeft ten aanzien van deze gedragingen geen strafbeschikkingen ontvangen.
3.3.
Bij besluit van 4 december 2024 heeft de burgemeester een last onder dwangsom, gebaseerd op artikel 2.74 van de APV aan [eiser] opgelegd. [eiser] verbeurt een dwangsom van € 5.000 per overtreding van het in artikel 2.74 van de APV, met een maximum van € 20.000. [eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.
Inhoudelijke beoordeling
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit het bepaalde in artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet volgt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot het opleggen van een last onder dwangsom. Uit het derde lid van artikel 125 van Pro de Gemeentewet volgt dat de burgemeester hiertoe bevoegd is indien de last dient tot uitvoering van de regels die hij uitvoert. In artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester belast is met de handhaving van de openbare orde. Omdat artikel 2:74 van Pro de APV geplaatst is in hoofdstuk 2 van de APV (= openbare orde) was de burgemeester bevoegd om deze last op te leggen.
4.2.
Naar aanleiding van de stelling van [eiser] dat artikel 2:74 van Pro de APV bepalingen van de Opiumwet dupliceert en dat deze bepaling daarom onverbindend is, oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van duplicatie. Artikel 2:74 van Pro de APV heeft betrekking op het zich op een openbare plaats ophouden, postvatten, zich daar heen en weer te bewegen of zich daar in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om in drugs te handelen. Het doel van deze bepaling is de bescherming van de openbare orde, zoals ook blijkt uit de plaatsing van deze bepaling in hoofdstuk 2 van de APV. Nu deze bepaling is ingegeven door een ander motief dan de bepalingen van de Opiumwet, kan niet worden geoordeeld dat deze bepaling onverbindend is.
4.3.
De burgemeester heeft de in de bestuurlijke rapportage van de politie van 1 oktober 2024 genoemde gedragingen van [eiser] op 24 september 2024 aan het opleggen van de last onder dwangsom ten grondslag gelegd. Dat de naar aanleiding van de gebeurtenissen op 24 september 2024 opgemaakte processen-verbaal niet zijn doorgezet en dat [eiser] als gevolg hiervan geen strafbeschikkingen heeft ontvangen, doet er niet aan af dat deze gedragingen voldoende vaststaan. Deze gedragingen blijken uit een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van een politieambtenaar. Daarop mocht de burgemeester afgaan. Hiermee staat voldoende vast dat [eiser] het bepaalde in artikel 2:74 van Pro de APV heeft overtreden. Omdat [eiser] als overtreder kon worden aangemerkt, kon de burgemeester gelet op het bepaalde in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een last onder dwangsom opleggen.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de aan [eiser] opgelegde last voldoende bepaald en kenbaar is. De last verwijst naar artikel 2:74 van Pro de APV. Deze bepaling wordt al overtreden door het op een openbare plaats ophouden, postvatten, zich daar heen en weer te bewegen of zich daar in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden ‘met de kennelijke bedoeling’ om – kort gezegd – te handelen in drugs. Niet vereist is dat vaststaat dat de betrokkene op dat moment al drugs bij zich heeft of heeft verhandeld [1] .
4.5.
Naar aanleiding van de stelling van [eiser] dat de burgemeester gehandeld heeft in strijd met het bepaalde in artikel 4:8 van Pro de Awb door hem niet voorafgaand aan het nemen van het besluit van 4 december 2024 in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen, overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat [eiser] geen bekend post- of verblijfadres heeft. Wel was het de burgemeester bekend dat [eiser] regelmatig bij zijn moeder, aan de [adres], verblijft. Daarom heeft de burgemeester ervoor gekozen om het voornemen naar dat adres te sturen. Met de verzending van het voornemen naar dit adres heeft de burgemeester in dit geval voldaan aan het bepaalde in artikel 4:8 van Pro de Awb.
4.6.
Wat [eiser] overigens heeft aangevoerd, kan evenmin leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de gehandhaafde last onder dwangsom in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op .
De rechter is buiten staat om deze uitspraak
te ondertekenen.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Afdeling bestuursrechtspraak, Raad van State, 22 april 2020; ECLI:NL:RVS:2020:1117