Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3464

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
ak_25_1771
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling ex-werkgever

Eiser betwist de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 36,55% per 3 november 2023 na een herbeoordeling op verzoek van zijn ex-werkgever. De rechtbank beoordeelt of het UWV deze mate juist heeft vastgesteld aan de hand van medische en arbeidskundige rapporten.

De verzekeringsarts en de arts bezwaar en beroep concludeerden dat eiser beperkingen heeft door PTSS en schouderklachten, met een marginaal dagverhaal en beperkte belastbaarheid. De rechtbank stelt vast dat het dagverhaal van eiser overeenkomt met dat uit 2018, toen nog een arbeidsongeschiktheid van 80-100% werd aangenomen. De vermeende verbetering in het psychisch ziektebeeld is onvoldoende onderbouwd, mede omdat de behandeling is afgeschaald zonder dat dit duidelijk wijst op een relevante verbetering van belastbaarheid.

De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de ontwikkeling van het ziektebeeld sinds 2018 en dat het bestreden besluit daarom niet deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen. Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn schadeverzoek. Het UWV moet het griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV-besluit over de arbeidsongeschiktheid wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1771

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Folman-Onderstal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: drs. [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op grond van de Wet WIA [1] met ingang van 3 november 2023 (datum in geding). Eiser is het niet eens met de mate van arbeidsongeschiktheid die het UWV na een herbeoordeling heeft vastgesteld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser juist heeft vastgesteld.

Procesverloop

2.1
In het besluit van 7 maart 2024 heeft het UWV eisers mate van arbeidsongeschiktheid per 3 november 2023 vastgesteld op 36,62%. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2
In het bestreden besluit van 3 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij het besluit van 7 maart 2024 gebleven. Wel is het arbeidsongeschiktheidspercentage veranderd naar 36,55%. Eisers recht verandert echter niet.
2.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1
Eiser werkte voor 38 uur per week als technisch productiemedewerker via Intermediair Uitzendbureau B.V. Eiser heeft zich op 24 november 2016 ziekgemeld. Zijn dienstverband is per diezelfde datum geëindigd. Na het doorlopen van de wachttijd heeft het UWV aan eiser met ingang van 22 november 2018 een loongerelateerde WGA [2] -uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100%.
Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het UWV eiser met ingang van 22 september 2020 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%.
3.2
Op 3 november 2023 heeft eisers ex-werkgever het UWV gevraagd om een herbeoordeling uit te voeren. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals hiervoor onder ‘Procesverloop’ is weergeven.

Standpunten van partijen

4.1
Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat eiser per 3 november 2023 36,55% arbeidsongeschikt is. Het UWV heeft er daarbij op gewezen dat de hoogte van zijn loonaanvullingsuitkering tot 31 maart 2026 niet verandert.
4.2
Eiser stelt zich op het standpunt – samengevat weergegeven – dat hij meer beperkingen heeft dan het UWV heeft opgenomen in de FML. [3] Met name de beperkingen als gevolg van eisers psychische stoornissen zijn onvoldoende meegenomen. Hij verwijst daarbij naar informatie van 14 april 2025 van psychotherapeut/GZ-psycholoog Heufler (Heufler). De psychische stoornissen en klachten van eiser zorgen voor meer dan wel verdergaande beperkingen in de rubrieken ‘persoonlijk functioneren’, ‘sociaal functioneren’ en ’werktijden’. Om die reden kunnen de functies die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geduid geen standhouden. Tot slot verzoekt eiser de rechtbank over te gaan tot het benoemen van een deskundige.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

5.1
De vraag is of het UWV eiser terecht per 3 november 2023 36,55% arbeidsongeschikt heeft geacht. De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiser daartegen heeft aangevoerd. Bij deze beoordeling is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven. Een belangrijk punt daarbij is dat het gaat om de medische toestand van eiser op 3 november 2023; de datum in geding.
5.2
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inhoud van het bestreden besluit

5.3
Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, is gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.4
De verzekeringsarts heeft aangenomen dat eiser bekend is met een PTSS en adhesieve capsulitis aan de schouder. Als gevolg daarvan is eiser beperkt op stressvol werk. Uit de anamnese komt volgens de verzekeringsarts naar voren dat eiser functioneert als het gaat om de zorg voor het gezin en de zelfzorg. Volgens de verzekeringsarts is uit de onderzoeksbevindingen niet te abstraheren dat eiser niet in staat is om buiten die kring te functioneren. Vanwege eisers schouderklachten is er aanleiding om eiser beperkt te achten voor fysieke zware belasting van de linkerarm. De verzekeringsarts meent verder dat het hervatten in passende werkzaamheden een positief effect kan hebben op het persoonlijk en sociaal functioneren. Daarom is volgens de verzekeringsarts verbetering van de belastbaarheid te verwachten. Een wezenlijke verbetering van de fysieke belemmeringen is echter niet te verwachten, aldus de verzekeringsarts. De verzekeringsarts acht eiser aangewezen op werkzaamheden die geen groot beroep doen op zijn flexibiliteit en op werk zonder storingen/onderbrekingen, veelvuldige deadlines of een dwingend hoog handelingstempo. Verder is eiser aangewezen op werk zonder veelvuldige conflicthantering, intensief samenwerken, klant- of hulpbehoevendencontact en leidinggevende aspecten. Daarnaast is eiser beperkt voor knijpkracht links, toetsenbordwerk, krachtige schroefbewegingen links, reiken en frequent reiken links, links duwen en trekken, tillen, dragen en klimmen. Ook is eiser beperkt voor werkzaamheden boven schouderhoogte links. Tot slot acht de verzekeringsarts eiser beperkt voor het werken in de avond en nacht. De verzekeringsarts heeft in de FML beperkingen opgenomen voor de onderdelen ‘persoonlijk functioneren’, ‘sociaal functioneren’, ‘fysieke omgevingseisen’ ‘dynamische handelingen’, ‘statische houdingen’ en ‘werktijden’.
5.5
De verzekeringsarts bezwaar en beroep meent dat er aanleiding bestaat om af te wijken van de conclusie van de verzekeringsarts over eisers belastbaarheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht eiser aanvullend beperkt voor het onderdeel ‘sociaal functioneren’. Op basis van de uitgebreide orthopedische expertise en de bevindingen van de verzekeringsarts meent de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de beperkingen die in dit verband zijn aangenomen, voldoende en adequaat zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voor wat betreft eisers psychische problematiek anamnestisch vastgesteld dat nog steeds sprake is van nachtmerries, gebrek aan energie en een kort lontje bij veel forse trauma’s in de voorgeschiedenis. De behandeling is inmiddels afgeschaald. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst daarbij op wat de behandelend psycholoog naar voren heeft gebracht. Aan het begin van de behandeling waren ernstige depressie en problemen met de impulsbeheersing aanwezig. Aansluitend was de behandeling gericht op traumabehandeling en stabilisatie. Dat wordt nu minder frequent gecontinueerd. Dit duidt op een verbetering, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder wordt door de psycholoog aangegeven dat er nog behandelingen zullen worden ingezet gericht op acceptatie en een actievere levensstijl. Verbetering van de belastbaarheid is dus zeker nog niet uitgesloten, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder wijst zij erop dat eiser tijdens het onderzoek in staat was om een gesprek van een uur vol te houden. Ook rijdt hij auto, maakte energie en tijd vrij om iets met zijn zoon te doen, kan zichzelf verzorgen en doet enkele dingen in het huishouden. Dit alles maakt dat er geen gronden zijn om beperkingen aan te nemen in de eerste zeven items van de rubriek ‘persoonlijk functioneren’. Ook is nergens gebleken dat eiser niet met de emotionele problemen van anderen kan omgaan, wel dat hij moeite heeft om zijn eigen emoties op een passende wijze te uiten. Voor wat betreft het samenwerken acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser hiertoe in staat mits met een eigen deeltaak. Zij ziet tot slot geen aanleiding om een verdergaande urenbeperking aan te nemen.

Oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit

5.6
Uitgangspunt is dat het UWV de bevoegdheid heeft om een WIA-uitkering te herzien als een herbeoordeling van de belastbaarheid uitwijst dat deze op een lager percentage moet worden vastgesteld dan ten grondslag ligt aan de lopende WIAuitkering. [4] Daarvoor is echter wel vereist dat het UWV deugdelijk motiveert dat en waarom er een verbetering van de belastbaarheid is opgetreden sinds de beoordeling die aan de lopende uitkering ten grondslag ligt. Dit ligt besloten in artikel 60 leden Pro 2 en 3 van de Wet Wia, waarin is geregeld dat er sprake moet zijn van een wijziging van de verdiencapaciteit, voordat tot een wijziging van de uitkering kan worden overgegaan. Aldus veronderstelt die bepaling dat de belastbaarheid (in verzekeringsgeneeskundig dan wel arbeidskundig opzicht) van een betrokkene ten opzichte van zijn eerdere beoordeling die aan de lopende uitkering ten grondslag ligt, moet zijn gewijzigd.
5.7
De rechtbank wijst er allereerst op dat de verzekeringsarts in 2018 overwoog dat sprake was van een ernstige psychiatrische stoornis waardoor eiser marginaal tot niet belastbaar is, hetgeen duidelijk wordt uit een marginaal dagverhaal. Ook thans blijkt bij lezing van de verslaglegging van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser slechts een marginaal dagverhaal heeft. Hij doet weinig tot niets in het huishouden, doet geen boodschappen en zijn overige activiteiten blijven beperkt. Ter zitting bij de rechtbank is ook nog toegelicht dat het af en toe spelen met zijn zoon zeer beperkt is en helemaal afhankelijk van hoe het met hem gaat. Het enige contact dat eiser heeft, is met zijn vrouw, zoon en schoonmoeder. Buitenshuis komt eiser blijkens zijn dagverhaal weinig en op zitting is ook verklaard dat de fietstocht naar de rechtbank alleen al erg intensief voor eiser was. Het dagverhaal van eiser stemt daarmee naar het oordeel van de rechtbank grotendeels overeen met het dagverhaal dat van eiser was opgetekend in het medisch onderzoeksverslag van 25 september 2018, dat aan de 80-100% arbeidsongeschiktheid wegens ‘geen benutbare mogelijkheden’ ten grondslag was gelegd. Het dagverhaal van eiser bevat, anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld, dan ook geen aanknopingspunten om tot een verbetering van de belastbaarheid te kunnen concluderen, nu deze grotendeels overeenstemt met het dagverhaal uit 2018 op basis waarvan eiser nog volledig arbeidsongeschikt werd geacht.
5.8
Voor zover de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop heeft gewezen dat eiser in staat was om een gesprek van een uur vol te houden, kan die motivering evenmin worden gevolgd. Uit de verslaglegging blijkt immers dat eiser boos wegliep, hetgeen kan impliceren dat het gesprek een (te) zware belasting voor eiser vormde.
5.9
Anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep meent, is de rechtbank van oordeel dat uit de gedingstukken evenmin blijkt van een zodanige verbetering van eisers psychisch ziektebeeld dat kan worden gesteld dat eisers belastbaarheid in relevante mate is verbeterd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen dat wat betreft eisers psychiatrische problematiek anamnestisch nog steeds sprake is van nachtmerries, gebrek aan energie en een kort lontje bij veel forse trauma’s in de voorgeschiedenis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft haar conclusie dat sprake is van – kort gezegd – een verbetering in het psychisch toestandsbeeld bij eiser, in belangrijke mate doen steunen op het feit dat de behandeling is afgeschaald en dat de behandeling vooral is gericht op stabilisatie en traumabehandeling. Niet is echter bij eisers behandelaars uitgevraagd of de aanpassing van de therapie van doen heeft met verbetering van eisers psychische gesteldheid. Als al aangenomen zou moeten worden dat sprake is van een verbetering en dat daarom sprake is van het afschalen van de behandeling, dan kan daaruit ook niet zonder meer de conclusie volgen dat dit ook resulteert in een relevante verbetering van eisers belastbaarheid in een werksetting. Dat van verbetering sprake is, volgt ook niet uit de informatie van Heufler. De rechtbank acht in dit verband van betekenis wat Heufler in haar brief van 14 april 2025 aangeeft. Heufler benoemt een scala aan diagnoses op psychisch vlak waar eiser mee bekend is en gaat in op de behandelingen die eiser heeft ondergaan en mogelijk zal ondergaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het feit dat Heufler aangeeft dat de behandeling gericht op trauma en stabilisatie op een lager frequent niveau zal worden gecontinueerd, niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van een verbetering. Heufler benoemt daarnaast namelijk dat de vervolgbehandeling zal zijn gericht op de acceptatie van de chronische gevolgen van intense traumata en ook het leren accepteren en leren leven met de chronische beperkingen. Heufler besluit met de vaststelling dat eisers draagkracht miniem is. Een vergelijkbaar psychisch toestandsbeeld wordt geschetst in de brief van 27 februari 2024 van Spel Psychologen Putten en ook daarin wordt geconcludeerd dat eisers belastbaarheid miniem is. Uit die brief blijkt bovendien dat bij de opstelling van het behandelplan op 1 januari 2022 en ten tijde van de dagtekening van de brief op 27 februari 2024 hetzelfde ziektebeeld aanwezig was (ZT07 - Psychische aandoening - aanhoudend en/of zeer beperkend). Bovendien blijkt uit die brief dat het afschalen van de frequentie van de afspraken onderdeel uitmaakt van het behandelplan en dus niet zonder meer een indicatie geeft van een verbetering van de belastbaarheid. Tegen die achtergrond had het op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelegen om bij eisers behandelaars navraag te doen naar de ontwikkeling van eisers ziektebeeld sinds 2018, het moment waarop het UWV heeft aangenomen dat bij eiser sprake is van marginaal functioneren en waarbij is geconcludeerd dat eiser geen benutbare mogelijkheden heeft.
5.1
Aldus zal de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader onderzoek moeten verrichten, in het bijzonder door het uitvragen van informatie bij de behandelaars van eiser over de ontwikkeling van het ziektebeeld sinds 2018. Omdat dit nader onderzoek eerst door de verzekeringsarts bezwaar en beroep moet worden verricht, bestaat er op dit moment geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige door de rechtbank.
5.11
De rechtbank overweegt in dit verband verder dat als uit de op te vragen informatie bij de behandelaars van eiser niet blijkt dat het ziektebeeld van eiser sinds 2018 wezenlijk is verbeterd, het UWV in beginsel uit moet blijven gaan van de 80-100% arbeidsongeschiktheid die zij in 2018 op basis van geen benutbare mogelijkheden ten aanzien van eiser had aangenomen.

Oordeel van de rechtbank over de schadevergoeding

5.12
Eiser heeft nog om toekenning van een schadevergoeding verzocht. Op grond van artikel 8:88 Awb Pro kan het UWV worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan eiser, indien er sprake is van een onrechtmatig besluit en de gestelde schade het gevolg is van dat onrechtmatige besluit. Eiser heeft evenwel geen schadeposten aangevoerd, dus kan op dit moment ook niet worden beoordeeld of sprake is van schade die in verband staat met het bestreden besluit. De vordering is in zoverre onvoldoende bepaalbaar en eiser zal daarom niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard. [5] Dat eiser heeft verzocht gelegenheid te krijgen zijn schadeposten nog te stellen en onderbouwen voordat uitspraak wordt gedaan doet hieraan niet af. Het ligt immers op de weg van eiser om in het beroepschrift, dan wel gedurende het vooronderzoek of uiterlijk op zitting zijn vordering te onderbouwen. De rechtbank doet immers ook uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. [6] Indien eiser in die fases van de procedure geen concrete onderbouwing van zijn verzoek heeft gegeven, komt dat voor zijn rekening en risico. Eiser staat het, als gevolg van de niet-ontvankelijk verklaring, vrij om op een later moment alsnog een concreet onderbouwd schadeverzoek aanhangig te maken. Eiser zal daarbij wel alert moeten blijven op de verjaringstermijn die voor een vordering van toepassing kan zijn. [7]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor vier weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist. De rechtbank verklaart eiser in zijn verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk.
8. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Daarnaast moet het UWV de griffiekosten aan eiser terugbetalen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn verzoek om schadevergoeding;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
2.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
3.Functionele mogelijkhedenlijst.
4.Vgl. CRvB 14 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3923, r.o. 4.1.4.
5.Naar analogie: Hoge Raad 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0413, r.o. 3.3.
6.Artikel 8:69 Awb Pro.
7.Artikel 8:93 Awb Pro.