Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[bedrijf] B.V.uit [vestigingsplaats] ,
1.Samenvatting
2.Inleiding: feiten en procesverloop
3.Beoordeling door de voorzieningenrechter
Op de zitting is door [bedrijf] aangegeven dat de centrale vanwege de installatie van het Environox-systeem – waarmee kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarden – in week 28/29 stil zal worden gelegd. Na de installatie en opstart in week 35/36 zal de centrale (moeten) voldoen aan de emissiegrenswaarden. Dit betekent dat de gevraagde voorlopige voorziening ziet op een relatief korte periode. [eiser] heeft op geen enkele wijze duidelijk gemaakt waarom zich nu een acute situatie voordoet die eerder optreden rechtvaardigt en hij heeft bovendien niet duidelijk gemaakt op welke wijze gehandhaafd zou moeten. Er zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht waaruit volgt dat [bedrijf] nu niet binnen de begunstigingstermijn aan de last zal voldoen. Daartegenover staat dat uit de motivering van het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt dat er vooralsnog reden is aan te nemen dat [bedrijf] per 15 september 2026 zal voldoen aan de emissiegrenswaarden. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat onbetwist is gebleven dat het college zich heeft laten adviseren door de GGD en dat in dat advies is neergelegd dat op leefniveau aan de immissiegrenswaarden wordt voldaan en er daarmee geen sprake is van acute gezondheidsrisico’s. Alles in overweging meenemend, ziet de voorzieningenrechter daarom geen spoedeisend belang die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.