Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3407

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/08/339394 / FA RK 25-2565
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Brussel II-terArt. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 3 sub b Alimentatieverordening (Ali-vo)Art. 15 Ali-voArt. 3 lid 1 Haags Protocol 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling zorgregeling en kinderalimentatie na echtscheiding met internationale aspecten

De rechtbank Overijssel behandelde een civiele zaak waarin de vrouw kinderalimentatie verzocht en de man een zorg- en contactregeling wilde vastleggen. De ouders, beiden Oekraïense nationaliteit, zijn gescheiden en hebben een minderjarig kind dat bij de vrouw verblijft.

Tijdens de zitting bereikten partijen overeenstemming over een zorgregeling waarbij de man het kind in even weken naar dansles en Oekraïense school brengt. De rechtbank achtte deze regeling in het belang van het kind en legde deze vast.

De rechtbank berekende de kinderalimentatie op basis van de behoefte van het kind (€831 per maand) en de draagkracht van beide ouders. De draagkracht van de man werd verhoogd door rekening te houden met zijn werkelijke woonlasten, die aanzienlijk lager zijn dan het forfaitaire bedrag. De vrouw kon vanwege haar zorgtaak niet meer werken. De man moet daarom €641 per maand betalen, met ingang van het verzoekschrift, vooruit te betalen vóór de eerste van de maand.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en elk van de ouders draagt zijn eigen proceskosten. De zaak kende een internationaal karakter, waarbij Nederlands recht van toepassing werd verklaard.

Uitkomst: De rechtbank stelt de zorgregeling vast en legt de man een kinderalimentatie van €641 per maand op met ingang van 8 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familierecht
locatie Zwolle
zaaknummer: C/08/339394 / FA RK 25-2565
Beschikking van 10 juni 2026
in de zaak van:
[de vrouw] ,
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. U. Yildirim,
tegen
[de man] ,
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.B. Beerentsen.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift (met bijlagen), binnengekomen op 8 oktober 2025;
  • de brief van mr. U. Yildirim, binnengekomen op 29 oktober 2025;
  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek, binnengekomen op 22 december 2025;
  • het verweerschrift op het zelfstandige verzoek, binnengekomen op 9 januari 2026;
  • het F9-formulier van mr. U. Yildirim (met bijlagen), binnengekomen op 8 april 2026;
  • het F9-formulier van mr. M.B. Beerentsen (met bijlagen), binnengekomen op 10 april 2026.
1.2.
Het verzoek is besproken tijdens de zitting met gesloten deuren van 13 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft zich op 13 mei 2026 afgemeld voor de zitting.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest. Op [datum] 2025 is hun huwelijk door echtscheiding ontbonden.
2.2.
Zij hebben samen een kind:
[het kind] , geboren te
[geboorteplaats]op [geboortedatum] 2019.
[het kind] verblijft bij de vrouw.
2.3.
De man, de vrouw en [het kind] hebben de Oekraïense nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar voorraad,
te bepalen dat de man met ingang van indiening van dit verzoekschrift zal
bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van
partijen met een bedrag van € 538,00 per maand, bij vooruitbetaling voor de eerste van
de maand te betalen aan de vrouw, althans een zodanige beslissing te nemen zoals uw
rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

4.Het verweer met een zelfstandig verzoek

4.1.
De man verzoekt de rechtbank, kosten rechtens, de verzoeken van de vrouw af
te wijzen en bij zelfstandig verzoek te bepalen dat er tussen de man en [het kind] en
de vrouw en [het kind] een zorg-, en contactregeling zal gelden waarbij beide ouders
in onderling overleg evenveel zorg verlenen aan [het kind] en waarbij ook de
vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld, alsmede te
bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van
de man aan de vrouw op nihil wordt gesteld omdat ieder der partijen de kosten van
verzorging en opvoeding van [het kind] dient te dragen op de momenten dat
[het kind] bij hem of haar is en waarbij de verblijfsoverstijgende kosten in gelijke
delen worden verdeeld over de onderhoudsplichtigen.

5.Het verweer op het zelfstandig verzoek

5.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank om de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen.

6.De beoordeling

De zorg- en contactregeling
De internationale bevoegdheid (rechtsmacht) en toepasselijk recht
6.1.
De zaak draagt een internationaal karakter, omdat de vrouw, de man en [het kind] de Oekraïense nationaliteit bezitten. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of haar rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is op het verzoek.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek op grond van het bepaalde in artikel 7 Brussel Pro II-ter. Op grond van artikel 15 lid 1 van Pro het
Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
Het inhoudelijk oordeel
6.3.
De man en de vrouw hebben tijdens de zitting overeenstemming bereikt over de zorgregeling. De ouders zijn het volgende overeengekomen:
  • de man brengt [het kind] met ingang van 16 mei 2026 in de even weken op zaterdag naar dansles. De dansles begint om 10.00 uur en eindigt om 11.00 uur. De man brengt [het kind] op zaterdag terug bij de vrouw om 14.00 uur.
  • De man brengt [het kind] met ingang van 17 mei 2026 in de even weken op zondag naar de Oekraïense school. De Oekraïense school begint om 11.00 uur en eindigt om 14.00 uur. Na de Oekraïense school zijn [het kind] en de man nog een aantal uren samen. De man brengt [het kind] daarna naar de moeder.
6.4.
De rechtbank acht het positief dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling. Het is voor [het kind] belangrijk dat de ouders samen afspraken kunnen maken. De rechtbank acht de zorgregeling in het belang van [het kind] en zal de overeengekomen zorgregeling vastleggen.
De kinderalimentatie
De internationale bevoegdheid (rechtsmacht) en toepasselijk recht
6.5.
De rechtbank heeft op grond van het bepaalde in artikel 3 sub Pro b Alimentatieverordening (Ali-vo) rechtsmacht met betrekking tot de kinderalimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
6.6.
Op grond van artikel 15 Ali Pro-vo juncto artikel 3 lid 1 Haags Pro Protocol 2007 is Nederlands recht van toepassing, nu de onderhoudsgerechtigde haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
De inhoudelijke beoordeling
6.7.
De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 641,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. De berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.
De behoefte van [het kind]
6.8.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [het kind] vast op een bedrag van € 831,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
6.9.
De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kinderen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren.
6.10.
Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf 2025, waarin een inkomen van € 47.263,- bruto per jaar staat genoemd. De rechtbank heeft berekend dat het inkomen van de man € 3.116,- netto per maand was in 2025.
6.11.
Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf 2025, waarin een inkomen van € 34.326,- bruto per jaar staat genoemd. De rechtbank heeft berekend dat het inkomen van de vrouw € 2.759,- netto per maand was in 2025.
6.12.
Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [het kind] werd uitgegeven en wat dus de behoefte van [het kind] is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een gezinsinkomen van € 5.875,- (€ 3.116,- + € 2.759,-), gemiddeld € 794,- per maand uitgaven voor hun kind in 2025. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 831,- per maand.
De draagkracht van beide ouders
6.13.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.
De draagkracht van de man
6.14.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.136,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
6.15.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het huidige inkomen van de man. De rechtbank gaat daarbij op grond van de overgelegde loonstroken uit van een gemiddeld inkomen van afgerond € 941,- per week. Inclusief de toeslagen, de overuren, de compensatie ADV, de eindejaarsuitkering en de tegemoetkoming ziektekosten is dat afgerond € 4.079,- bruto per maand. Rekening houdend met de vakantietoeslag, de premies (PAWW, pensioen en WGA) en de algemene heffingskortingen, heeft de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man berekend op € 3.232,- per maand in 2026.
6.16.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [het kind] .
6.17.
In beginsel maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand een forfaitair bedrag ter grootte van 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op afgerond (30% van € 3.232,- =) € 970,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.365,- per maand.
6.18.
De Hoge Raad heeft bepaald dat onder bijzondere omstandigheden van de draagkrachtformule kan worden afgeweken. [1] Dit is mogelijk indien met de berekende draagkracht niet (geheel) in de behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van het forfait.
6.19.
De rechtbank constateert dat bij de toepassing van het woonlastenforfait de gezamenlijke draagkracht van partijen € 107,- per maand lager is dan de behoefte van [het kind] .
6.20.
De vrouw stelt dat de werkelijk woonlast van de man € 244,22 per maand bedraagt. De man heeft dit niet betwist. De rechtbank volgt de stelling van de vrouw dat dit een aanzienlijk lagere woonlast is dan het forfaitaire bedrag. De werkelijke woonlast is circa 75% lager dan het forfaitaire bedrag en er zijn geen aanwijzingen dat de man op korte termijn andere woonruimte en daardoor een hogere woonlast zal hebben.
6.21.
Vaststaat dat bij toepassing van het woonlastenforfait niet geheel in de behoefte van [het kind] kan worden voorzien. Ook staat vast dat de werkelijke woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan volgt uit de toepassing van het forfait. Als uitgegaan wordt van de werkelijke woonlasten heeft de man meer draagkracht en kan hij dus een hogere onderhoudsbijdrage betalen. De rechter ziet daarom aanleiding om met deze werkelijke woonlasten van (afgerond) € 244,- per maand rekening te houden.
6.22.
De rechtbank zal de draagkracht van de man daarom corrigeren en berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x (€ 3.232,- minus (€ 244 +
€ 1.365,-) op € 1.136,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
6.23.
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 96,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
6.24.
Ook bij de draagkracht van de vrouw kijkt de rechtbank eerst naar haar inkomen. Voor de berekening van de draagkracht gaat de rechtbank op grond van de overgelegde loonstroken uit van een gemiddeld inkomen van afgerond € 357,- bruto per week inclusief de toeslagen, de overuren, de compensatie ADV, de eindejaarsuitkering en de tegemoetkoming ziektekosten is dat afgerond 1.546,- bruto per maand. Rekening houdend met de vakantietoeslag en de premies (PAWW, pensioen en WGA), de algemene heffingskortingen, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop heeft de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw berekend op € 2.081,- per maand.
6.25.
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [het kind] . Daarvoor maakt de rechtbank, gelet op de hoogte van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw, gebruik van de ‘draagkrachttabel’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. Volgens die tabel heeft een persoon met een inkomen van € 2.081,- per maand een draagkracht van € 96,- per maand.
6.26.
De man heeft gesteld dat de vrouw meer uren kan gaan werken, omdat [het kind] naar school gaat. De vrouw is volgens hem vrijwillig minder gaan werken. De vrouw is van een 40-urige werkweek naar een werkweek van 16 uur gegaan. De vrouw stelt dat zij op dit moment niet meer inkomsten kan genereren, omdat zij de volledige zorg heeft over [het kind] en zij in ploegendienst werkt. De vrouw heeft een ochtend- of avonddienst. Hierdoor heeft zij op de dagen dat zij werkt hulp nodig van de oma(‘s) van [het kind] . De vrouw is op zoek naar een andere baan, maar dat is nog niet gelukt. Daarnaast moet zij op de dagen dat zij niet werkt [het kind] naar zwemles of logopedie brengen. Ook heeft de vrouw tijd nodig om de Nederlandse taal te leren, zodat zij meer kans heeft op een andere baan.
6.27.
De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw heeft door de week de volledige zorg over [het kind] ; de man zegt dat hij door de week niet voor [het kind] kan zorgen. Het kan op dit moment niet van de vrouw worden gevergd om meer uren te werken, gelet op de zorg voor [het kind] . In het geval de vrouw een andere baan heeft gevonden en/of meer uren is gaan werken, zal opnieuw dienen te worden gekeken naar het aandeel van de moeder in de kosten van de verzorging en opvoeding van [het kind] .
De verdeling van de kosten
6.28.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [het kind] , dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
6.29.
Zoals hiervoor is berekend, heeft de man een draagkracht van € 1.136,- per maand en de vrouw een draagkracht van € 96,- per maand. Samen hebben ze dus een draagkracht van € 1.232,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [het kind] te betalen, want die zijn € 831,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (1.136 : 1.232 x 831 =) € 766,- per maand moet dragen. De vrouw moet een deel van (96 : 1.232 x 831=) € 65,- per maand dragen.
Zorgkorting
6.30.
Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
6.31.
[het kind] verblijft, volgens de afspraken tussen de ouders over de zorgregeling, gemiddeld één dag per week bij de man. Volgens de Expertgroep Alimentatie past daarbij een zorgkorting van 15% van de behoefte, dus € 125,- per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (€ 766,- -/- € 125,- =) € 641,- per maand zou moeten betalen. De rechtbank zal deze bijdrage vaststellen, nu de vrouw weliswaar heeft verzocht dat de rechtbank een bijdrage van
€ 538,- per maand vaststelt, maar daaraan heeft toegevoegd ‘althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren’. De rechtbank kan dit niet anders uitleggen dan dat de vrouw, ingeval de draagkracht van de man tot een hogere bijdrage leidt, dat hogere bedrag verzoekt vast te stellen. Vaststelling van een lager bedrag hoeft immers niet specifiek te worden verzocht als de verzochte bijdrage de draagkracht van de man te boven gaat.
De ingangsdatum
6.32.
De rechtbank zal beslissen dat de man met ingang van het verzoekschrift, te weten
8 oktober 2025, de kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen. De man heeft de verzochte ingangsdatum van de vrouw niet betwist.
De alimentatie moet vooruit worden betaald
6.33.
De rechtbank zal beslissen dat de man de kinderalimentatie voortaan steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
6.34.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
6.35.
Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders
hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De proceskosten
6.36.
Omdat de vader en de moeder gehuwd zijn geweest, zal de rechtbank bepalen dat elk van de ouders de eigen proceskosten draagt.
Aanhechten draagkrachtberekeningen
6.37.
De rechtbank heeft een behoefteberekening, een berekening van de draagkracht van de man en van de vrouw en van de kosten van het kind gemaakt. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
stelt de volgende overeengekomen zorgregeling vast:
  • de man brengt [het kind] met ingang van 16 mei 2026 in de even weken op zaterdag naar dansles. De dansles begint om 10.00 uur en eindigt om 11.00 uur. De man brengt [het kind] op zaterdag terug bij de vrouw om 14.00 uur.
  • De man brengt [het kind] met ingang van 17 mei 2026 in de even weken op zondag naar de Oekraïense school. De Oekraïense school begint om 11.00 uur en eindigt om14.00 uur. Na de Oekraïense school zijn [het kind] en de man nog een aantal uren samen. De man brengt [het kind] daarna naar de moeder.
7.2.
beslist dat de man met ingang van 8 oktober 2025 een bedrag van € 641,- per
maand moet betalen aan de vrouw, als kinderalimentatie;
7.3.
beslist dat de man vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van
de maand moet betalen;
7.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.5.
beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
7.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Hoeven, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. H.W.C. van Schaik, griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
BIJLAGE
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]

Voetnoten

1.HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.