Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3291

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/08/346162 FT RK 26/66
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking faillissementsverzoek wegens tegenvordering en geringe slaagkans

Op 20 maart 2026 diende [verzoeker] een verzoekschrift in tot faillietverklaring van [bedrijf], gebaseerd op een onbetaalde vordering van € 3.251,58 die kracht van gewijsde had. [Bedrijf] diende een verweerschrift in met een tegenvordering die de vordering van [verzoeker] overstijgt. De mondelinge behandeling werd uitgesteld en uiteindelijk trok [verzoeker] het verzoekschrift op 8 juni 2026 in.

[Bedrijf] verzocht daarop om veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. De rechtbank oordeelde dat het faillissementsverzoek weinig kans van slagen had, mede door de tegenvordering en het ontbreken van aanwijzingen dat [bedrijf] was opgehouden met betalen. Het intrekken van het verzoek vlak voor de zitting zonder opgave van redenen leidde tot een proceskostenveroordeling.

De rechtbank veroordeelde [verzoeker] tot betaling van € 653 aan proceskosten aan de zijde van [bedrijf]. De zaak illustreert dat het starten van een faillissementsprocedure zonder voldoende onderbouwing en met kennis van een tegenvordering kan leiden tot kostenveroordeling, zeker bij intrekking vlak voor de zitting.

Uitkomst: Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten na intrekking van het faillissementsverzoek wegens geringe kans van slagen door tegenvordering.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht - Faillissementen
rekestnummer : C/08/346162 FT RK 26/66
uitspraakdatum : 11 juni 2026
Rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken.
Gezien het op 20 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank ingediende verzoekschrift, ingediend door mr. C.A.M.H. Vink, advocaat te ‘s- Hertogenbosch namens:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [verzoeker] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] en kantoorhoudende te [kantoorplaats 1],
hierna te noemen: “[verzoeker]”,
strekkende tot faillietverklaring van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] B.V.

statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] en kantoorhoudende te [kantoorplaats 2],
hierna te noemen: “[bedrijf]”.

Het procesverloop

Op 20 maart 2026 is ter griffie van deze rechtbank bovenvermeld verzoekschrift ontvangen.
Bij brief van 20 maart 2026 zijn [verzoeker] en [bedrijf] opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoekschrift op 14 april 2026.
Bij e-mail van 13 april 2026 is door mr. W.M. Bond-Stroek namen [bedrijf] een verweerschrift ingediend.
Bij e-mail van eveneens 13 april 2026 is door mr. Vink verzocht om aanhouding van de mondelinge behandeling voor de duur van zeven weken. Door de griffier is per e-mail van diezelfde datum bericht dat de verzochte aanhouding akkoord is, echter vanwege de zittingsplanning de behandeling niet met zeven weken, maar met acht weken zal worden aangehouden en derhalve de mondelinge behandeling op 9 juni 2026 zal plaatsvinden.
Bij e-mail van 8 juni 2026 heeft mr. Vink het verzoekschrift ingetrokken.
In haar e-mail van 8 juni 2026 heeft mr. Bond-Stroek verzocht om [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten.
Bij e-mail van 10 juni 2026 heeft mr. Vink gereageerd op de door [bedrijf] verzochte proceskostenveroordeling

De standpunten van partijen

Het standpunt van [verzoeker]

Aan het verzoek tot faillietverklaring van [bedrijf] heeft [verzoeker] een vordering uit hoofde van een arrest van 11 juli 2023 ten grondslag gelegd. In dat arrest is [bedrijf] veroordeeld om aan [verzoeker] een bedrag van € 3.251,58 in hoofdsom te betalen. Dat arrest heeft kracht van gewijsde. Aan de veroordeling heeft [bedrijf] niet voldaan en daarin heeft [verzoeker] aanleiding gezien om de rechtbank te verzoeken om [bedrijf] in staat van faillissement te verklaren. Dat verzoek heeft [verzoeker] op goede gronden gedaan, er was immers sprake van een (opeisbare) vordering van [verzoeker] op [bedrijf]. Van een veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten kan dan ook geen sprake zijn.

Het standpunt van [bedrijf]

heeft een verweerschrift ingediend waarin zij tevens vraagt om [verzoeker] in de proceskosten te veroordelen. In dat verweerschrift stelt [bedrijf] dat zij een voor verrekening vatbare tegenvordering op [verzoeker] heeft en dat deze vordering de vordering van [verzoeker] op haar overstijgt. [verzoeker] is met die tegenvordering bekend. Het is louter omdat [bedrijf] wil verrekenen dat zij de vordering die [verzoeker] op haar heeft niet wil voldoen. [bedrijf] laat geen andere vorderingen onbetaald en verkeert evenmin in de toestand dat zij is opgehouden te betalen. [verzoeker] heeft het faillissementsverzoek louter gebruikt om [bedrijf] tot betaling te dwingen en daarmee maakt zij misbruik van recht. Daarom moet [verzoeker] ook nadat zij het faillissementsverzoek heeft ingetrokken in de proceskosten worden veroordeeld.

De beoordeling

Het verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring is ingetrokken. Het landelijk procesreglement bepaalt in artikel 2.1.2.8 dat als in het verweer om een proceskostenveroordeling wordt gevraagd, de rechter daarop zal beslissen. Aan de orde is dan ook louter de vraag of er een proceskostenveroordeling ten nadele van [verzoeker] moet worden uitgesproken. Het is daarbij aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt overgelaten of hij in het gegeven geval tot een proceskostenveroordeling beslist (HR 15 december 2017 ECLI:NL:HR:2017:3143).
Voor die beslissing moet mede in ogenschouw worden genomen de vraag of het faillissementsverzoek al dan niet een kans van slagen had (ECLI:NL:GHARL:2026:508). De rechtbank komt tot de conclusie dat in de onderhavige kwestie de kans dat het verzoek van [verzoeker] om [bedrijf] in staat van faillissement te verklaren zou zijn toegewezen gering is, vanwege het volgende.
[verzoeker] stelt een vordering te hebben op [bedrijf] van in hoofdsom € 3.251,58. In haar verweerschrift heeft [bedrijf] echter onderbouwd gesteld dat zij een tegenvordering op [verzoeker] heeft die in omvang de vordering van [verzoeker] op [bedrijf] overstijgt. Bij het verweerschrift zijn meerdere bijlagen gevoegd waar uit blijkt dat tussen partijen al jarenlang discussies en procedures worden gevoerd over onder andere vermeende (voortdurende) inbreuken op octrooirechten van [bedrijf] door [verzoeker].
Vereiste voor het uitspreken van een faillissement is dat van het vermeende vorderingsrecht van de verzoekende partij op de verwerende partij summierlijk moet blijken. Gelet op het verweer van [bedrijf] is niet aanstonds onaannemelijk dat zij (ten minste) een gelijk bedrag te vorderen heeft van [verzoeker], en in dat geval zou het vorderingsrecht van [verzoeker] niet summierlijk zijn gebleken, nog los van de (volgende) vraag of sprake zou zijn pluraliteit en of [bedrijf] in een toestand verkeerde dat zij was opgehouden te betalen. Voor een uitgebreid onderzoek naar de stellingen van partijen is echter in de faillissementsprocedure geen plaats. Dat debat dient in een andere procedure te worden gevoerd.
Uit de stukken blijkt dat [verzoeker] bekend was met de door [bedrijf] gestelde tegenvordering en [verzoeker] had dan ook kunnen voorzien dat door [bedrijf] (vol) verweer zou worden gevoerd in een faillissementsprocedure met onder andere een beroep op verrekening stellende dat [verzoeker] per saldo niets te vorderen heeft.
Dat [verzoeker] er desondanks, voor kiest om een faillissementsprocedure jegens [bedrijf] te starten, kwalificeert (wellicht) niet als misbruik van recht, maar als [verzoeker] er vervolgens voor kiest om de faillissementsaanvraag na acht weken zonder opgave van redenen (alsnog) vlak voor de zitting in te trekken, dan is zij wel gehouden de proceskosten te vergoeden.
Het voorgaande maakt dan ook dat de rechtbank aanleiding ziet om [verzoeker] in de proceskosten te veroordelen.

De beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten tot op heden aan de zijde van [bedrijf] begroot op € 653,- wegens het salaris van de gemachtigde.
Aldus gedaan te Almelo op 11 juni 2026 door mr. D. van den Berg, lid van voormelde enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van A.B. Knook griffier.