Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2835

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
AK_25_1309
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.3.3 WlzBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgkantoor moet pgb toekennen en zorgovereenkomst goedkeuren na onterechte weigering

Eiseres had een zorgovereenkomst met Balans Zorg en Budget vanaf 20 augustus 2020, die het Zorgkantoor afkeurde vanwege het ontbreken van een pgb met terugwerkende kracht. In een eerdere tussenuitspraak oordeelde de rechtbank dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot volledige weigering van het pgb had kunnen komen en gaf het Zorgkantoor de opdracht om alsnog te onderzoeken welke zorg was geleverd en een pgb toe te kennen.

Het Zorgkantoor gaf hieraan geen juiste uitvoering, waardoor de rechtbank in deze einduitspraak het Zorgkantoor opdraagt alsnog een pgb toe te kennen gebaseerd op gemiddeld 83 uur zorg per maand en het uurtarief van het latere toegekende pgb. Tevens moet het Zorgkantoor de zorgovereenkomst goedkeuren, eventueel aangepast aan het verleende pgb.

De rechtbank weegt het belang van rechtmatige besteding van gemeenschapsgelden af tegen het kwetsbare zorgprofiel van eiseres en de erkende geleverde zorg. Het Zorgkantoor had onvoldoende rekening gehouden met deze belangen en de onredelijke nadelige gevolgen voor eiseres. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Zorgkantoor veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het Zorgkantoor moet een pgb toekennen voor 20 augustus 2020 tot 11 maart 2021 en de zorgovereenkomst goedkeuren.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1309

einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres])

(gemachtigde: mr. H. Oldenhof),
en

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., verweerder (hierna: het Zorgkantoor)

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

Deze uitspraak is een einduitspraak na een tussenuitspraak van 29 januari 2026. [1] De tussenuitspraak en de einduitspraak gaan over de afkeuring van de zorgovereenkomst tussen [eiseres] en Balans Zorg en Budget met ingangsdatum
20 augustus 2020. Het Zorgkantoor heeft deze zorgovereenkomst afgekeurd omdat het Zorgkantoor geen persoonsgebonden budget (pgb) met terugwerkende kracht vanaf
20 augustus 2020 heeft verleend. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot een volledige weigering van de verlening van een pgb aan [eiseres] voor de periode 20 augustus 2020 tot en met
11 maart 2021. De rechtbank heeft het Zorgkantoor in de gelegenheid gesteld te onderzoeken en zonodig schattenderwijs vast te stellen welke zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) geleverd is en op basis daarvan een pgb toe te kennen voor de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021. Het Zorgkantoor heeft op een onjuiste wijze uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak. Daarom draagt de rechtbank in deze einduitspraak het Zorgkantoor op om aan [eiseres] voor de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021 een pgb toe te kennen. Dit pgb moet gebaseerd zijn op gemiddeld 83 uur per maand en het uurtarief dat kan worden afgeleid uit het toegekende en vastgestelde pgb voor de periode 12 maart 2021 tot en met 31 december 2021. Vervolgens dient het Zorgkantoor de zorgovereenkomst met ingangsdatum 20 augustus 2020 goed te keuren, indien nodig onder de voorwaarde dat deze wordt aangepast aan het verleende pgb. Het beroep is gegrond en [eiseres] krijgt gelijk.

Procesverloop

1.1.
Voor het procesverloop van dit geschil verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit voor [eiseres] onevenredig nadelig is, onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. De rechtbank heeft het Zorgkantoor in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.2.
Het Zorgkantoor heeft op 13 maart 2026 in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
1.3.
[eiseres] heeft hierop op 13 april 2026 schriftelijk gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen van de rechtbank

De tussenuitspraak
2.1.
Voor de weergave van wat aan de besluitvorming vooraf ging, het toetsingskader, de standpunten van partijen en haar overwegingen verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak. [2]
2.2.
In rechtsoverwegingen 7.7. en 7.8. van de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot een volledige weigering van de verlening van een pgb aan [eiseres] voor de periode 20 augustus 2020 tot en met
11 maart 2021. Het Zorgkantoor acht het algemeen belang van een goede uitvoering en controle van de besteding van pgb-gelden (gemeenschapsgeld) groter dan het particuliere belang van [eiseres] bij het ontvangen en kunnen betalen van passende zorg. Het Zorgkantoor benadrukt de verantwoordelijkheid van [eiseres] voor het nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen, zoals het verantwoorden dat met het pgb op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat het Zorgkantoor een aantal aspecten ten onrechte niet of onvoldoende heeft meegewogen in de belangenafweging. Het gaat dan om het feit dat [eiseres], gelet op het zorgprofiel “Wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering” als kwetsbaar kan worden aangemerkt en Wlz-zorg nodig heeft. Ook het feit dat het Zorgkantoor heeft erkend dat Zorg Balans en Budget in de periode 20 augustus 2020 tot en met
11 maart 2021 zorg aan [eiseres] heeft geleverd is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende meegewogen.
2.3.
In rechtsoverweging 8.2. heeft de rechtbank geoordeeld dat het Zorgkantoor, om de gebreken te herstellen, op basis van de beschikbare informatie, ondanks de onvolkomenheden in de verantwoording, moet onderzoeken en zonodig schattenderwijs moet vaststellen welke Wlz-zorg geleverd is. Bij de beschikbare informatie dient het Zorgkantoor niet alleen de gegevens over de periode van 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021 te betrekken, maar ook de informatie van daarna, namelijk voor zover de zorg die vanaf 12 maart 2021 is verleend een indicatie zou kunnen geven voor de zorg die is verleend in de periode van
20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021. Vervolgens dient het Zorgkantoor op basis van haar bevindingen aan [eiseres] een pgb toe te kennen voor de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021 en de zorgovereenkomst met ingangsdatum 20 augustus 2020 goed te keuren, eventueel onder de voorwaarde dat deze wordt aangepast aan het verleende pgb. De rechtbank acht het namelijk onevenredig nadelig, wanneer [eiseres] als sanctie voor het ontbreken van een toereikende verantwoording van de aan haar – onbetwist – verleende zorg, die zorg volledig voor haar eigen rekening zal moeten nemen.
De herstelpoging en de reactie daarop
3.1.
Het Zorgkantoor heeft in zijn reactie de belangenafweging aangevuld. Het Zorgkantoor kent in zijn reactie minder gewicht toe aan het feit dat [eiseres] geconfronteerd kan worden met een vordering van Zorg Balans en Budget voor vergoeding van geleverde zorg. Het Zorgkantoor stelt dat Zorg Balans en Budget bij zo’n privaatrechtelijke vordering schadeplichtig zou zijn jegens [eiseres], omdat ernstige gebreken in de administratie van haar zorgverlener ertoe leiden dat geen pgb verleend kan worden. Het Zorgkantoor acht het niet aannemelijk dat zo’n vordering in een civiele procedure stand zal houden. Verder zou het volgens het Zorgkantoor niet terecht zijn als Zorg Balans en Budget de kosten voor de verleende zorg bij [eiseres] in rekening zou brengen, terwijl haar geen pgb is verleend. Het is namelijk zorgverlener Zorg Balans en Budget die (ontoereikend) geantwoord heeft op de vragen van het Zorgkantoor en gebrekkige administratie heeft gevoerd, waardoor geen pgb toegekend kan worden. Verder wijst het Zorgkantoor erop dat niet bekend is dat Zorg Balans en Budget een dergelijke vordering bij [eiseres] heeft neergelegd en dat het een privaatrechtelijke aangelegenheid betreft. Het Zorgkantoor blijft van mening dat het belang van rechtmatige besteding van gemeenschapsgelden zwaarder moet wegen dan het belang van [eiseres].
3.2.
Verder betoogt het Zorgkantoor dat geen pgb kan worden verleend, omdat niet wordt voldaan aan de verleningsgronden in artikel 3.3.3 van de Wlz. Het Zorgkantoor is van mening dat, voor zover vast staat dat niet aan de verleningsgronden is voldaan omdat het pgb niet afdoende verantwoord kan worden, het Zorgkantoor weinig tot geen beslissingsruimte heeft om alsnog een pgb toe te kennen. Het Zorgkantoor ziet in een mogelijke vordering van Zorg Balans en Budget op [eiseres] geen bijzondere omstandigheid die maakt dat in strijd met artikel 3.3.3 van de Wlz aan [eiseres] een pgb moet worden toegekend.
3.3.
[eiseres] heeft hierop gereageerd. Voor zover relevant zal de rechtbank hieronder ingaan op de reactie van [eiseres].
Het oordeel van de rechtbank
4.1.
De rechtbank is het met [eiseres] eens dat het Zorgkantoor – hoewel zij na de tussenuitspraak heeft medegedeeld gebruik te willen maken van de gelegenheid om gebreken te herstellen – niet op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak. Het Zorgkantoor heeft niet, op basis van de beschikbare informatie, onderzocht en zonodig schattenderwijs vastgesteld welke Wlz-zorg geleverd is. Vervolgens heeft het Zorgkantoor aan [eiseres] ook geen pgb toegekend voor de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021 en de zorgovereenkomst met ingangsdatum 20 augustus 2020 goedgekeurd, eventueel onder de voorwaarde dat deze wordt aangepast aan het verleende pgb.
4.2.
Het Zorgkantoor lijkt het niet eens te zijn met de overwegingen en oordelen van de rechtbank in de tussenuitspraak. Het Zorgkantoor vindt het niet onevenredig nadelig, wanneer [eiseres] als sanctie voor het ontbreken van een toereikende verantwoording van de aan haar – onbetwist – verleende zorg, die zorg volledig voor haar eigen rekening zal moeten nemen. Het Zorgkantoor is van mening dat [eiseres] de kosten voor de geleverde zorg niet aan Balans Zorg en Budget verschuldigd is als haar geen pgb kan worden toegekend en dat daarom het belang van [eiseres] minder zwaar weegt. Het Zorgkantoor blijft bij zijn standpunt dat het in redelijkheid heeft kunnen komen tot een volledige weigering van de verlening van een pgb voor de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021. De rechtbank ziet in wat het Zorgkantoor heeft aangevoerd echter geen aanleiding om terug te komen op haar overwegingen en beslissing in de tussenuitspraak. De rechtbank heeft haar oordelen zonder voorbehoud gegeven en van een zeer uitzonderlijk geval, zoals bedoeld in de genoemde rechtspraak, is geen sprake.
4.3.
Omdat het Zorgkantoor geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zelf een onderzoek te doen of een inschatting te maken van de geleverde zorg en op basis daarvan een pgb toe te kennen voor de periode 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021, zal de rechtbank dit doen. Uit het dossier blijkt dat het Zorgkantoor met een besluit van
4 september 2021 aan [eiseres] voor de periode 12 maart 2021 tot en met 31 december 2021 een pgb heeft toegekend van bruto € 53.799,92. In haar reactie heeft [eiseres] aannemelijk gemaakt dat dit pgb gebaseerd is op gemiddeld 83 uur begeleiding per maand. [eiseres] stelt in haar reactie dat Zorg Balans en Budget ook in de periode 20 augustus 2020 tot en met
11 maart 2021 gemiddeld 83 uren per maand zorg aan [eiseres] heeft verleend. De rechtbank beschouwt de zorg die vanaf
12 maart 2021 aan [eiseres] is verleend als een indicatie voor de aan haar verleende zorg in de periode van 20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat wat [eiseres] stelt aannemelijk is en dat Zorg Balans en Budget in de periode
20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021 voor gemiddeld 83 uur per maand zorg aan [eiseres] heeft verleend. De rechtbank gaat voor het te hanteren uurtarief uit van het bruto bedrag per uur dat in de periode 12 maart 2021 tot en met 31 december 2021 is toegekend en vastgesteld.
4.4.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het Zorgkantoor aan [eiseres] voor de periode
20 augustus 2020 tot en met 11 maart 2021 een pgb moet toekennen. Dit pgb moet gebaseerd zijn op gemiddeld 83 uur per maand en het uurtarief dat kan worden afgeleid uit het toegekende en vastgestelde pgb voor de periode 12 maart 2021 tot en met 31 december 2021. Vervolgens dient het Zorgkantoor de zorgovereenkomst met ingangsdatum 20 augustus 2020 goed te keuren, indien nodig onder de voorwaarde dat deze wordt aangepast aan het verleende pgb.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het Zorgkantoor moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het Zorgkantoor moet het besluit van 8 maart 2023 herroepen en met een nieuwe beslissing op bezwaar aan [eiseres] een pgb toekennen met inachtneming van wat onder rechtsoverweging 4.4. is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
5.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het Zorgkantoor aan [eiseres] het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
5.3.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt [eiseres] een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het Zorgkantoor moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4,5 punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,-, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 3.667,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het Zorgkantoor op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van (met name rechtsoverweging 4.4. van) deze uitspraak en de tussenuitspraak;
  • draagt het Zorgkantoor op het betaalde griffierecht van € 53,- aan [eiseres] te vergoeden;
  • veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van [eiseres] tot een bedrag van € 3.667,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Rechtbank Overijssel, 29 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:397.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van