ECLI:NL:RBOVE:2026:27

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
ak_24_3683
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid

Deze uitspraak betreft de gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) door de Omgevingsdienst IJsselland. Eiser, een inwoner van [woonplaats], heeft op 3 september 2023 een Woo-verzoek ingediend met betrekking tot een bezoek van de Arbeidsinspectie aan de Omgevingsdienst in augustus 2023. De Omgevingsdienst heeft op 28 december 2023 besloten om 36 documenten openbaar te maken, maar heeft ook een deel van het verzoek afgewezen op basis van de weigeringsgronden uit de Woo. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 maart 2025 het beroep van eiser ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat de Omgevingsdienst op juiste wijze heeft beslist op het Woo-verzoek. De informatie die openbaar is gemaakt, is verstrekt in de door eiser verzochte vorm, en er bestaat geen verplichting voor de Omgevingsdienst om de documenten ook op hun website te publiceren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de zoekslag van de Omgevingsdienst niet onvolledig is geweest en dat er geen schending van de hoorplicht heeft plaatsgevonden. Eiser heeft zijn beroepsgronden onvoldoende onderbouwd en de rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3683

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

mr. [eiser], uit [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur Omgevingsdienst IJsselland, de Omgevingsdienst

(gemachtigde: mr. B. Verrijk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (hierna: de Woo) van [eiser] door de Omgevingsdienst. [eiser] is het niet eens met de afwijzing van zijn Woo-verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de (gedeeltelijke) afwijzing van zijn Woo-verzoek.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Omgevingsdienst op een juiste wijze heeft beslist op het Woo-verzoek van [eiser]. De informatie die de Omgevingsdienst daarbij op grond van artikel 4.1 van de Woo openbaar heeft gemaakt, heeft de Omgevingsdienst verstrekt in de door hem verzochte vorm. Er bestaat geen verplichting voor de Omgevingsdienst om de documenten ook op hun eigen website te publiceren. Het verzoek van [eiser] op grond van artikel 5.5 van de Woo heeft de Omgevingsdienst kunnen weigeren. Verder is niet gebleken dat de zoekslag onvolledig is geweest en is er geen sprake van een schending van de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarmee ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. [eiser] heeft op 3 september 2023 een verzoek om informatie op grond van de Woo bij de Omgevingsdienst ingediend. Het Woo-verzoek heeft betrekking op het bezoek van de Arbeidsinspectie in augustus 2023 bij de Omgevingsdienst.
4. De Omgevingsdienst heeft bij besluit van 28 december 2023 het verzoek tot openbaarmaking op grond van artikel 4.1 van de Woo gedeeltelijk toegewezen en 36 documenten openbaar gemaakt, en gedeeltelijk afgewezen, voor zover de weigeringsgronden uit artikel 5.1. tweede lid, van de Woo aan openbaarmaking in de weg staan. De Omgevingsdienst heeft het verzoek tot het verstrekken van informatie op grond van artikel 5.5, 5.6 en 5.7 van de Woo afgewezen.
5. Op 13 januari 2024 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 december 2023.
6. Bij brief van 17 april 2024 heeft [eiser] de Omgevingsdienst in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar.
7. [eiser] heeft vervolgens op 8 mei 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 13 januari 2024. Dit beroep heeft de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/2601.
8. Met het bestreden besluit van 11 september 2024 op het bezwaar van [eiser] heeft de Omgevingsdienst zijn bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 28 december 2023 gehandhaafd.
9. [eiser] heeft op 14 oktober 2024 afzonderlijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
10. De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2025 ter zitting behandeld. Hierbij waren [eiser] en de voormalig gemachtigde van de Omgevingsdienst aanwezig. Omdat de Omgevingsdienst pas twee dagen voor de zitting een verweerschrift heeft ingediend, heeft de rechter het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek hervat, waarbij aan [eiser] de mogelijk is geboden om schriftelijk te reageren op het verweerschrift. De rechter heeft daarbij bepaald dat er een nieuwe zitting zal worden gepland.
11. De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 maart 2025 het door [eiser] ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen van 8 mei 2024 niet-ontvankelijk verklaard omdat de Omgevingsdienst op 11 september 2024 alsnog een besluit heeft genomen op het bezwaar van [eiser] en hij daarom geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. [1]
12. Bij brief van 17 april 2025 heeft [eiser] schriftelijk gereageerd op het verweerschrift en zijn gronden aangevuld.
13. De rechtbank heeft het beroep op de nadere zitting van 25 november 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van de Omgevingsdienst.

Beoordeling door de rechtbank

14. De rechtbank beoordeelt het beroep van [eiser] aan de hand van zijn beroepsgronden. Ter zitting heeft [eiser] zijn beroepsgrond ten aanzien van het vaststellen van een bestuurlijke dwangsom laten vallen. In de volgende overwegingen zal de rechtbank de beroepsgronden van [eiser] afzonderlijk behandelen.
Heeft de Omgevingsdienst de stukken op een juiste manier openbaar gemaakt?
15. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de Omgevingsdienst de stukken die in het besluit van 28 december 2023 openbaar zijn gemaakt had moeten plaatsen op de website van de Omgevingsdienst, zodat deze voor eenieder te vinden zou zijn. Nu de Omgevingsdienst dit niet heeft gedaan, heeft de Omgevingsdienst de stukken niet op een juiste manier volgens artikel 4.1 van de Woo openbaar gemaakt. Doordat de Omgevingsdienst heeft nagelaten de gevraagde informatie voor eenieder kenbaar te maken, heeft de Omgevingsdienst gehandeld in strijd met artikel 3:46 van de Awb (het motiveringsbeginsel). Het niet elektronisch voor eenieder openbaar maken van het Woo-besluit en de daarbij horende bijlagen is volgens hem in strijd met het nog in werking te treden artikel 3.3, tweede lid, onder i, van de Woo, dat voortkomt uit de EU richtlijn 2019/1024 (de Europese Open data richtlijn). Omdat de richtlijn uiterlijk op 17 juli 2021 geïmplementeerd had moeten worden en de Nederlandse Staat dit heeft nagelaten, kunnen burgers een rechtstreeks beroep doen op de bepalingen uit de richtlijn jegens de overheid (verticale rechtstreekse werking). [eiser] verzoekt de rechtbank verder om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de rechtstreekse werking van de EU richtlijn 2019/1024.
16. De Omgevingsdienst stelt zich op het standpunt dat er in de Woo (nog) geen verplichting bestaat om de gevraagde documenten openbaar te publiceren op haar website zodat die voor iedereen te raadplegen zijn. Evenmin vloeit die verplichting voort uit de EU richtlijn 2019/1024. Met het toesturen van de gevraagde documenten aan [eiser] heeft de Omgevingsdienst voldaan aan haar verplichting op grond van de Woo. De Omgevingsdienst stelt verder dat dit uitgangspunt ook in de beslissing op bezwaar is overwogen, waardoor er geen sprake is van schending van het motiveringsbeginsel.
17. De rechtbank overweegt dat uit artikel 4.5, eerste lid, van de Woo volgt dat het bestuursorgaan de informatie verstrekt in de door verzoeker verzochte vorm of, indien dit redelijkerwijs niet gevergd kan worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.4, derde lid. [eiser] heeft in zijn Woo-verzoek van 3 september 2023 verzocht om de openbaar te maken documenten naar zijn e-mailadres en naar dat van zijn advocaat te sturen. Ook verzoekt hij om de documenten digitaal aan hem te verstrekken. Hieruit leidt de rechtbank af dat [eiser] heeft verzocht om de openbaar te maken documenten direct aan hem te verstrekken. Nu de Omgevingsdienst dat heeft gedaan, heeft zij voldaan aan de verplichting van artikel 4.5, eerste lid, van de Woo om de informatie te verstrekken ‘in de door verzoeker verzochte vorm’. Nu artikel 3.3, tweede lid, onder i, van de Woo verder nog niet in werking is getreden, bestaat er geen verplichting vanuit de Woo voor de Omgevingsdienst om (ook) het Woo-verzoek met de daarbij openbaar gemaakte informatie voor eenieder toegankelijk op hun website te plaatsen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit de door [eiser] aangehaalde EU richtlijn 2019/1024, omdat deze richtlijn niet van toepassing is op onderhavige situatie. Deze richtlijn ziet namelijk op publicatie van datasets, onderzoeksgegevens en andere (overheids)informatie zodat deze hergebruikt kan worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen ten aanzien van de mogelijke rechtstreekse werking van de richtlijn.
18. De rechtbank overweegt tot slot dat de Omgevingsdienst het motiveringsbeginsel niet heeft geschonden in het bestreden besluit. De Omgevingsdienst is namelijk ingegaan op de bezwaargrond van [eiser] dat de documenten op de website van de Omgevingsdienst hadden moeten worden gepubliceerd. Van een motiveringsgebrek is daarom geen sprake.
19. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Omgevingsdienst het verzoek om informatie op grond van artikel 5.5 van de Woo kunnen weigeren?
20. [eiser] voert aan dat de door hem gevraagde informatie betrekking heeft op hemzelf en dat de Omgevingsdienst deze informatie daarom op grond van artikel 5.5 van de Woo aan hem had moeten verstrekken.
21. De Omgevingsdienst stelt zich op het standpunt dat de door [eiser] gevraagde informatie geen betrekking heeft op hemzelf, en daardoor artikel 5.5 van de Woo geen grondslag kan bieden om de informatie (enkel) aan hem te verstrekken.
22. De rechtbank volgt de Omgevingsdienst in haar opvatting dat de gevraagde informatie geen betrekking heeft op [eiser]. De door [eiser] gevraagde informatie gaat immers over een bezoek van de arbeidsinspectie aan de Omgevingsdienst, over wat er besproken is tussen de organen van de Omgevingsdienst en de arbeidsinspectie en welke (algemene) maatregelen de Omgevingsdienst diende te nemen volgens de arbeidsinspectie naar aanleiding van dit bezoek.
23. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Omgevingsdienst een volledige zoekslag uitgevoerd?
24. [eiser] betoogt onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] (hierna: de Afdeling) dat de Omgevingsdienst niet voldoet aan de vereisten van een goede zoekslag omdat zij ondeugdelijk documentbeheer pleegt doordat de documentsystemen niet goed doorzoekbaar zijn.
25. De rechtbank interpreteert de beroepsgrond van [eiser] zo dat hij betoogt dat de zoekslag van de Omgevingsdienst onvolledig is geweest, omdat er sprake is van ondeugdelijk documentbeheer en de Omgevingsdienst daarom niet goed in haar systemen heeft kunnen zoeken naar documenten die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen en dat deze documenten daarom mogelijk ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt.
26. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het zo, dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel is aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. [3]
27. De rechtbank overweegt dat [eiser] zijn beroepsgrond onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele stelling dat er sprake is van ‘ondeugdelijk documentbeheer’ zonder enkele vorm van onderbouwing of bewijs daarvoor, is onvoldoende om aan te nemen dat de Omgevingsdienst inderdaad niet al het mogelijke heeft gedaan om de gevraagde documenten te achterhalen. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er documenten zijn die onder de Omgevingsdienst berusten, onder zijn Woo-verzoek vallen en ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt bij het Woo-besluit van 28 december 2023.
28. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Omgevingsdienst de hoorplicht in bezwaar geschonden?
29. [eiser] stelt zich tot slot op het standpunt dat de Omgevingsdienst hem ten onrechte in bezwaar niet de mogelijkheid heeft geboden om te worden gehoord. Omdat [eiser] de leden van de bezwaarschriftencommissie heeft gewraakt, waren zij onbevoegd om een hoorzitting te houden. Dit is een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), artikel 17 van de Grondwet en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) Ook verzoekt [eiser] de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ-EU en het EHRM over de werking van artikel 6 van het EVRM in de bezwaarfase en de mogelijkheid om in de bezwaarfase leden van de bezwaarschriftencommissie te wraken.
30. De Omgevingsdienst stelt zich op het standpunt dat [eiser] correct en tijdig is uitgenodigd voor een hoorzitting door de bezwaarschriftencommissie en dat hij er zelf voor heeft gekozen om niet te verschijnen op de hoorzitting. Door de leden van de commissie te wraken ontstaat niet een recht voor [eiser] op een nieuwe hoorzitting.
31. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat [eiser] is uitgenodigd voor een hoorzitting en dat deze hoorzitting heeft plaatsgevonden, zonder deelname van [eiser]. In geschil is of de Omgevingsdienst heeft voldaan aan de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb, door de hoorzitting alsnog plaats laten vinden, ondanks dat [eiser] de leden van de bezwaarcommissie had ‘gewraakt’.
32. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Volgens artikel 7:5 van de Awb geschiedt het horen door het bestuursorgaan zelf, de voorzitter of een lid ervan, door een persoon die niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest, of door meerdere personen waarvan de meerderheid niet betrokken is bij de voorbereiding van het besluit. Dit wordt ook wel een ‘ambtelijke hoorcommissie’ genoemd. De Omgevingsdienst heeft geen onafhankelijke adviescommissie ingesteld zoals bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. Voor het horen van [eiser] in bezwaar had de Omgevingsdienst een ambtelijke hoorcommissie ingesteld bestaande uit drie leden: een lid van het dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst IJsselland, een persoon werkzaam bij de Omgevingsdienst en een advocaat, werkzaam bij een kantoor waar de Omgevingsdienst in het verleden mee samen heeft gewerkt. Deze personen zijn niet betrokken geweest bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Voor het instellen van aan ambtelijke hoorcommissie als bedoeld in artikel 7:5 van de Awb is het niet noodzakelijk dat de leden ‘onafhankelijk’ zijn zoals wel het geval is bij een onafhankelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. Het argument van [eiser] dat leden van de commissie vooringenomen zouden zijn en niet onafhankelijk zouden kunnen adviseren over zijn bezwaar en dat de beslissing op bezwaar daarom niet zorgvuldig tot stand kan komen gaat daarmee niet op, nog daargelaten of het mogelijk is om leden van een ambtelijke hoorcommissie te wraken. Ten aanzien van dit laatste punt constateert de rechtbank in ieder geval dat de Omgevingsdienst geen verordening heeft vastgesteld waarin de mogelijkheid van het wraken van de (ambtelijke) leden van de hoorcommissie is opgenomen en dat de Awb evenmin een grondslag hiertoe bevat.
33. Gelet op het hiervoor overwogene, is het de rechtbank niet gebleken dat de Omgevingsdienst onzorgvuldig heeft gehandeld bij het instellen van de ambtelijke hoorcommissie. Nu de Omgevingsdienst [eiser] heeft uitgenodigd voor een hoorzitting en deze hoorzitting heeft plaatsgevonden is van een schending van de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb daarmee geen sprake. Er is ook geen sprake van schending van het recht op een eerlijk proces of strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur zoals bedoeld in de door [eiser] aangehaalde artikelen van het EVRM, de Grondwet en het Handvest. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen over de werking van artikel 6 van het EVRM in de bezwaarfase en de mogelijkheid om in de bezwaarfase leden van de bezwaarschriftencommissie te wraken.
34. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

35. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Omgevingsdienst op een juiste wijze heeft beslist op het Woo-verzoek van [eiser]. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1296.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4850.