Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2642

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
84.237726.25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 AWRArt. 68 AWRArt. 69 AWRArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige belastingfraude door onjuiste aangiften omzet- en inkomstenbelasting

De rechtbank Overijssel heeft verdachte schuldig bevonden aan het opzettelijk onjuist en onvolledig indienen van meerdere aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting over de periode van 29 april 2021 tot en met 2 mei 2024. Verdachte handelde onder de naam van zijn eenmanszaak en diende onder meer nihilaangiften in terwijl er wel belastbare transacties plaatsvonden.

De verdediging voerde onder meer aan dat de officier van justitie niet ontvankelijk was wegens schending van het vertrouwensbeginsel en détournement de pouvoir, en stelde dat sprake was van inkeer. Deze verweren werden door de rechtbank verworpen. Ook werd een beroep gedaan op het informele verschoningsrecht van de belastingadviseur, maar de rechtbank oordeelde dat de auditfiles die door de adviseur aan de Belastingdienst waren verstrekt, voor bewijs konden worden gebruikt.

De rechtbank stelde vast dat verdachte wist dat hij belasting moest betalen en dat de aangiften onjuist waren. Het totale nadeel voor de staat werd berekend op ruim 1,14 miljoen euro. Gelet op de ernst, de duur van de feiten en het nadeel, legde de rechtbank een gevangenisstraf op van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens meervoudige belastingfraude.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.237726.25 (P)
Datum vonnis: 11 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] (Joegoslavië),
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 april 2026 en 11 mei 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M. van Leeuwen, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:in de periode van 29 april 2021 tot en met 2 mei 2024, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf], onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting heeft gedaan;
feit 2:in de periode van 1 maart 2023 tot en met 27 maart 2024 onjuiste of onvolledige aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 29 april 2021 tot en met 2 mei 2024 te [plaats 1] en/of [plaats 2], in elk geval in Nederland,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [verdachte] h.o.d.n. van de eenmanszaak [bedrijf] over:
- het eerste en/of tweede en/of derde en/of vierde kwartaal van het jaar 2021 en/of
- het eerste en/of tweede en/of derde en/of vierde kwartaal van het jaar 2022 en/of
- het eerste en/of tweede en/of derde en/of vierde kwartaal van het jaar 2023 en/of
- het eerste kwartaal van 2024,
(DOC-005)
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen/laten doen,
door (telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting/voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven en/of te doen/laten opgeven,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2023 tot en met 27 maart 2024 te [plaats 1] en/of [plaats 2], in elk geval in Nederland,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting, over:
- het jaar/de jaren 2021 en/of 2022 en/of 2023 (DOC-006)
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen/laten doen, door een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen op te geven en/of te doen/laten opgeven,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven.

3.De voorvragen

3.1
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
3.1.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Daartoe heeft hij volgende gronden aangevoerd.
schending vertrouwensbeginsel en una via-beginsel
De raadsman heeft bepleit dat verdachte er op mocht vertrouwen dat zijn zaak fiscaal zou worden afgedaan en dat hij niet strafrechtelijk zou worden vervolgd. In dit verband heeft de raadsman verwezen naar de verklaringen van [naam 1] (controleambtenaar van de Belastingdienst) en verdachtes (oud-)boekhouder [naam 2].
détournement de pouvoir
Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat zich een situatie van détournement de pouvoir heeft voorgedaan. De belastinginspecteur heeft de bevoegdheid, neergelegd in artikel 47 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), gehanteerd ten behoeve van het opsporen van strafbare feiten.
voorwaardelijk aanhoudingsverzoek
Indien de rechtbank deze verweren verwerpt heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden, teneinde de officier van justitie de opdracht te geven alle correspondentie tussen de belasting-inspecteur, de FIOD en het Openbaar Ministerie aan het dossier toe te voegen en (oud-)boekhouder [naam 2] als getuige te horen.
inkeer in de zin van artikel 69 lid 3 AWR Pro
Tot slot heeft de raadsman gesteld dat sprake is van inkeer van verdachte in de zin van artikel 69 lid 3 AWR Pro. Verdachte was vóór de aanvang het onderzoek van de belastingambtenaren al begonnen met het op orde maken van de bedrijfsadministratie van zijn eenmanszaak [bedrijf]. Door het onderzoek van de FIOD heeft verdachte deze werkzaamheden echter niet voort kunnen zetten.
3.1.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren verworpen moeten worden en dat zij ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.
3.1.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Feiten en omstandigheden (voor zover in dit verband van belang)
Verdachte is eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf]. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat [bedrijf] is opgericht op 4 maart 2020 en actief is in de detailhandel via internet, onder meer in de verkoop van luxe aanstekers en rokers-benodigdheden. [2]
Op 18 juni 2024 hebben de belastingambtenaren [naam 1] en [naam 3] een bedrijfsbezoek gebracht aan verdachte, naar aanleiding van een mismatch tussen de door [bedrijf] aangegeven intracommunautaire verwervingen en de door leveranciers aangegeven intracommunautaire leveringen aan [bedrijf]. [3] Van dit bezoek is een verslag gemaakt, waarin staat dat verdachte geen gebruik maakte van een adviseur, maar zelf zijn boekhouding verzorgde. De boekhouding bestond uit een in-, verkoop-en bankboek. Er zijn nihilaangiften omzetbelasting ingediend, maar verdachte was van mening dat hij alsnog juiste aangiften omzetbelasting kon indienen. Afgesproken werd dat hij actief op zoek zou gaan naar een adviseur die de volledige administratie moest gaan verwerken in een financiële administratie, zodat de belastingambtenaren, in samenspraak met de adviseur, een boeken-onderzoek konden uitvoeren. Daarbij is verdachte te kennen gegeven dat verbeterde aangiften over de periode 1 oktober 2021 tot en met 31 maart 2024 niet meer konden worden ingediend, maar dat deze bij het boekenonderzoek zouden worden vastgesteld en eventueel zouden worden vermeerderd met een boete. [4]
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard het hem pas na het bezoek van de belasting-ambtenaren is gelukt om een boekhouder te vinden, in de persoon van [naam 2]. Verdachte heeft het bezoek van de ambtenaren van de belastingambtenaren omschreven als ‘het zetje’ dat hij op dat moment nodig had. [5]
[naam 1] heeft verklaard dat hij op 14 oktober 2024 auditfiles heeft ontvangen van [naam 2]. [6] Deze auditfiles bevatten volgens [naam 2] de administratie van [bedrijf]. Op dat moment bestond de administratie van [bedrijf] uit inkoop- en verkoopfacturen en het bankboek. [7]
Vervolgens hebben [naam 1] en [naam 3] op grond van die auditfiles en de opgevraagde bankafschriften van verdachte een overzicht opgesteld van het belastingnadeel met betrekking tot de omzet- en inkomstenbelasting. [8]
[naam 2] heeft verklaard dat de door verdachte ingediende aangiften niet juist waren en dat het logisch was dat er boetes zouden volgen. [9]
Op 16 april 2025 heeft de stuur- en weegploeg besloten tot het instellen van een strafrechte-lijk onderzoek. Vervolgens heeft de FIOD op 6 mei 2025 het dossier ontvangen van het door [naam 1] ingestelde boekenonderzoek bij [bedrijf]. [10]
schending vertrouwensbeginsel en una via-beginsel
De rechtbank stelt in dit verband voorop dat van schending van het vertrouwensbeginsel sprake kan zijn kan wanneer vervolging wordt ingesteld nadat door of namens de belasting-inspecteur uitlatingen zijn gedaan die bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat zijn zaak enkel fiscaal zou worden afgedaan en hij dus – vanwege het una via-beginsel – niet strafrechtelijk zal worden vervolgd.
De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] en uit het verslag van het bedrijfsbezoek d.d. 18 juni 2024 op geen enkele manier kan worden afgeleid dat er door of namens de belastinginspecteur een toezegging is gedaan dat de zaak enkel fiscaal zou worden afgedaan.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat niet is gesteld of gebleken dat strafrechtelijke vervolging in deze zaak in strijd zou zijn met de beleidsregels die het Openbaar Ministerie hanteert ten aanzien van de keuze tussen een bestuursrechtelijke (fiscale) of strafrechtelijke afdoening.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman op dit onderdeel.
détournement de pouvoir
Op grond van artikel 47 AWR Pro is eenieder gehouden om desgevraagd aan de belasting-inspecteur inlichtingen en administratie te verstrekken, welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Van détournement de pouvoir kan in dit verband sprake zijn als de belastinginspecteur deze verplichting gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze in de wet is opgenomen.
De rechtbank ziet in de hierboven weergegeven gang van zaken geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat de belastinginspecteur de inlichtingenplicht van artikel 47 AWR Pro heeft gebruikt voor het opsporen van strafbare feiten. De door [naam 1] verzochte gegevens en inlichtingen – te weten de administratie en relevante bankmutaties van verdachte – zijn van belang voor het onderzoek naar de ingediende aangiften en daarmee van belang voor de belastingheffing zoals bedoeld in artikel 47 AWR Pro. Van enig misbruik van bevoegdheden door [naam 1] dan wel de FIOD is naar het oordeel van de rechtbank geenszins gebleken.
Daarnaast zijn na de aanvang van het strafrechtelijk traject geen fiscale/bestuurlijke bevoegdheden meer ingezet. Om deze redenen kan het verweer van de raadsman niet slagen.
Voorwaardelijk aanhoudingsverzoek
De rechtbank acht zich op basis van de in het dossier aanwezige stukken voldoende voor-gelicht om tot een beslissing te komen over de naar voren gebrachte verweren. De rechtbank acht nader onderzoek niet noodzakelijk en wijst het voorwaardelijke aanhoudingsverzoek van de raadsman af.
inkeer in de zin van artikel 69 lid 3 AWR Pro
Van inkeer als bedoeld in artikel 69 lid 3 AWR Pro kan sprake zijn indien een betrokkene alsnog een juiste en volledige aangifte doet vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ambtenaren van de Belastingdienst de onjuistheid of onvolledigheid van een door hem ingediende aangifte bekend is of zal worden.
Uit de hierboven weergegeven gang van zaken blijkt dat verdachte niet alsnog juiste en volledige aangiften heeft gedaan. Reeds om deze reden kan dit verweer niet slagen.
3.1.4
Conclusie
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
3.2
De overige voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsmotivering

4.1
Inleiding
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij meerdere aangiften omzetbelasting op zijn naam, handelend onder de naam [bedrijf], opzettelijk onjuist heeft ingediend (
feit 1) en dat hij opzettelijk meerdere aangiften inkomstenbelasting onjuist heeft ingediend (
feit 2).
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het opzet op het onjuist en/of onvolledig
doen van aangiften omzet- en inkomstenbelasting niet is bewezen. Daarnaast heeft hij betoogd dat de FIOD een inbreuk heeft opgemaakt op het informele verschoningsrecht van de belastingadviseur van verdachte. Deze inbreuk dient tot gevolg te hebben dat alle van de adviseur verkregen informatie van het bewijs moet worden uitgesloten. Hierdoor ontbreekt het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, zodat hij moet worden vrijgesproken.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de volgende redengevende feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Met betrekking tot de aangiften omzetbelasting
Op naam van verdachte zijn op de volgende data en tijdstippen aangiften omzetbelasting ingediend:
Tijdvak
Datum ontvangst
Tijdstip ontvangst
1e kwartaal 2021
29 april 2021
12:59 uur
2e kwartaal 2021
26 juni 2021
11:36 uur
3e kwartaal 2021
26 oktober 2021
08:32 uur
4e kwartaal 2021
14 januari 2022
10:06 uur
1e kwartaal 2022
7 april 2022
10:05 uur
2e kwartaal 2022
27 juli 2022
11:28 uur
3e kwartaal 2022
4 november 2022
12:02 uur
4e kwartaal 2022
13 januari 2023
12:45 uur
1e kwartaal 2023
16 april 2023
23:11 uur
2e kwartaal 2023
7 augustus 2023
14:01 uur
3e kwartaal 2023
6 november 2023
21:07 uur
4e kwartaal 2023
9 februari 2024
06:23 uur
1e kwartaal 2024
2 mei 2024
19:49 uur
De ingediende kwartaalaangiften betreffen allemaal zogenoemde nihilaangiftes. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze aangiften omzetbelasting zelf heeft ingediend. [11]
Uit het onderzoek van de FIOD is gebleken – en niet ter discussie staat – dat alle vermelde kwartaalaangiften omzetbelasting onjuist zijn, omdat in alle kwartalen van 2021, 2022 en 2023 en in het 1e kwartaal van 2024 met BTW belaste transacties hebben plaatsgevonden. [12]
Op basis van de auditfiles en de bankrekeningen van verdachte is berekend dat over het 1e kwartaal van 2021 tot en met het 1e kwartaal van 2024 in totaal € 579.055,-- te weinig aan omzetbelasting is afgedragen. [13]
Met betrekking tot de aangiften inkomstenbelasting
Op naam van verdachte zijn via de Mijn Belastingdienst aangifte-app met gebruik van DigiD op de volgende data en tijdstippen aangiften inkomstenbelasting ingediend:
Tijdvak
Datum ontvangst
Tijdstip ontvangst
1 jan. 2021 t/m 31 dec. 21
25 april 2022
03:25 uur
1 jan. 2021 t/m 31 dec. 21
1 maart 2023
09:41 uur
1 jan. 2021 t/m 31 dec. 22
6 maart 2023
14:20 uur
1 jan. 2021 t/m 31 dec. 23
27 maart 2024
15:48 uur
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze aangiften inkomstenbelasting zelf heeft ingediend. [14]
Uit het onderzoek van de FIOD is gebleken – en niet ter discussie staat – dat alle vermelde aangiften inkomstenbelasting onjuist zijn. In de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2021 is alleen loon uit inkomen (€ 27.332,--) aangegeven. De aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2022 en 2023 zijn nihilaangiften.
De Belastingdienst heeft berekend dat over de jaren 2021 tot en met 2023 in totaal
€ 571.364,-- te weinig aan inkomstenbelasting is aangegeven. [15]
Opzet
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde aangiften opzettelijk onjuist heeft ingediend.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat hij over zijn behaalde winst belasting moest betalen en dat hij op het moment van het indienen van de verschillende aangiften omzet- en inkomstenbelasting wist dat deze steeds niet correct waren. [16]
Daarnaast bevindt zich in het dossier een door verdachte opgestelde winst- en verliesrekening over het jaar 2022, waarin verdachte melding maakt van ‘winst voor belastingen: € 580.066,11’. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij de winst- en verliesrekening heeft opgesteld naar aanleiding van vragen van de ABN-AMRO bank. [17]
Tevens is op de laptop van verdachte een verkoopfactuur op naam van [bedrijf] aangetroffen van 16 augustus 2021. Op deze factuur wordt melding gemaakt van een bedrag exclusief BTW en een totaalbedrag inclusief BTW. Ook is op de factuur een btw-percentage van 21 procent vermeld. [18] De rechtbank leidt ook hieruit af dat verdachte wist dat hij BTW in rekening moest brengen aan zijn afnemers.
De rechtbank acht op grond van voorgaande overwegingen bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 genoemde aangiften opzettelijk onjuist heeft ingediend.
Informeel verschoningsrecht
Met betrekking tot de door de raadsman gestelde inbreuk op het informele verschoningsrecht van de belastingadviseur overweegt de rechtbank het volgende.
De Hoge Raad heeft erkend dat op grond van het fair play-beginsel aan een belastingadviseur een beroep toekomt op het informele verschoningsrecht. Dit verschoningsrecht strekt zich echter slechts uit over
‘rapporten en andere geschriften van derden voorzover zij ten doel hebben de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten of hem daaromtrent te adviseren. (…) De resterende (niet op dat doel betrekking hebbende) onderdelen dienen wel - desgevraagd - te worden verstrekt (…)’. [19]
Belastingadviseur [naam 2] heeft de auditfiles van [bedrijf] aan de Belastingdienst verstrekt en deze files zijn gebruikt bij de vaststelling van de onjuistheid van de ingediende aangiften en het berekenen van het nadeelbedrag. [20] Deze raadpleging van deze stukken is van belang geweest voor de vaststelling van de feiten en strekken niet tot het belichten van of adviseren over de fiscale positie van verdachte door zijn belastingadviseur. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het informele verschoningsrecht van [naam 2] zich niet uitstrekt over de ontvangen auditfiles. Deze stukken kunnen dus voor het bewijs gebruikt worden.
Conclusie
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op tijdstippen in de periode 29 april 2021 tot en met 2 mei 2024 in Nederland,
telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (digitale) aangiften voor de omzetbelasting ten name van
[verdachte] h.o.d.n. van de eenmanszaak [bedrijf] over:
- het eerste en tweede en derde en vierde kwartaal van het jaar 2021 en
- het eerste en tweede en derde en vierde kwartaal van het jaar 2022 en
- het eerste en tweede en derde en vierde kwartaal van het jaar 2023 en
- het eerste kwartaal van 2024,
telkens onjuist heeft gedaan door telkens in de ingeleverde aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting op te geven,
terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven;
2.
hij op tijdstippen in de periode 1 maart 2023 tot en met 27 maart 2024 in Nederland,
telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (digitale) aangiften voor de inkomstenbelasting, over:
- de jaren 2021 en 2022 en 2023
telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan, door een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen op te geven,
terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven.

5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 68 en 69 AWR. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 en feit 2
telkens het misdrijf:
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die hij in verzekering heeft doorgebracht.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij een eventuele strafoplegging over te gaan tot het opleggen van een taakstraf en/of een geldboete, gelet op het blanco strafblad en de ter terechtzitting naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van verdachte.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan omzet- en inkomstenbelastingfraude door structureel en over een tijdsbestek van drie jaren onjuiste aangiften omzet- en inkomsten-belasting in te dienen. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan. De goede werking van het belastingsysteem omtrent de aangiften van omzetbelasting en inkomstenbelasting staat of valt immers met de juistheid en volledigheid van die aangiften. De Belastingdienst moet kunnen vertrouwen op de juistheid van ingediende aangiften. Verdachte heeft misbruik gemaakt van dit vertrouwen. Daarnaast is de gemeenschap door de belastingfraude benadeeld, omdat de Staat der Nederland inkomsten misloopt. Het totale nadeel in deze zaak is berekend op € 1.140.629,--. Het door verdachte toegebrachte nadeel leidt tot verzwaring van de belastingdruk bij andere belastingbetalers en draagt bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Dit alles neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 11 november 2025. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de strafmaat rekening gehouden met straffen die rechters in soortgelijke strafzaken opleggen en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van fraude. Bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,-- of hoger houden de oriëntatie-punten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in van 24 maanden tot aan het maximum zoals neergelegd in artikel 69 AWR Pro (gesteld op zes jaren).
Gelet op de ernst van de feiten, de langdurige periode waarin de feiten zijn gepleegd en de hoogte van het benadelingsbedrag, is naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden. Daarentegen is verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.
Nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard verder te willen gaan met zijn ondernemings-activiteiten en zich hierbij tot op heden niet heeft voorzien van boekhoudkundige bijstand, blijft de kans op herhaling van vergelijkbare strafbare feiten reëel. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, passend en geboden. Hiervan zal de rechtbank zes (6) maanden gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, gekoppeld aan een proeftijd van drie jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 en feit 2
telkens het misdrijf:
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. D. ten Boer en mr. J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst/ FIOD met nummer 75469/onderzoek Neutal. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-001, inhoudende een KvK-uittreksel van [bedrijf], p. 339.
3.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1], G-001-01, p. 143.
4.Een schriftelijk bescheid, inhoudende een verslag van een bedrijfsbezoek aan verdachte h.o.d.n. [bedrijf] d.d.
5.Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 april 2026.
6.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1], G-001-01, p. 145.
7.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2], G-003-01, p. 154.
8.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1], G-001-01, p. 143 en p. 144, een schriftelijk bescheid met documentcode, DOC-003, inhoudende een Excelbestand berekening nadeel omzetbelasting 2021 t/m 2024 p. 343, en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-004, inhoudende een Excelbestand berekening nadeel inkomstenbelasting 2021 t/m 2023, p. 344.
9.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2], G-003-01, p. 154.
10.Het proces-verbaal van verdenking verdachte, VD-001-03, p. 61, en het proces-verbaal algemeen dossier, AD-001-01, p. 21.
11.Het proces-verbaal algemeen dossier, AD-001-01, p. 24, in samenhang met een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-005, inhoudende een ambtsedige verklaring omzetbelasting van de Belastingdienst/FIOD, inclusief bijlagen, p. 345 t/m p. 429 en het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 april 2026.
12.Het proces-verbaal van Onderzoek (digitale) IBN [verdachte], [bedrijf], AMB-004, p. 162 t/m p. 165, en
13.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1], G-001-01, p. 144, het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2], G-003-01, p. 154 en p. 155 en een schriftelijk bescheid met documentcode, DOC-003, inhoudende een Excelbestand berekening nadeel omzetbelasting 2021 t/m 2024, p. 343.
14.Het proces-verbaal algemeen dossier, AD-001-01, p. 28 en p. 47, in samenhang met een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-006, inhoudende een ambtsedige verklaring inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van de Belastingdienst/FIOD, inclusief bijlagen, p. 430 t/m p. 468 en het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 april 2026.
15.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1], G-001-01, p. 144, en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-004, inhoudende een Excelbestand berekening nadeel inkomstenbelasting 2021 t/m 2023, p. 344.
16.Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 april 2026.
17.Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 april 2026 en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-009, inhoudende een winst- en verliesrekening 2022, p. 474.
18.Het proces-verbaal van Onderzoek (digitale) IBN [verdachte], [bedrijf], AMB-004, p. 163, een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-025, inhouden verkoopfactuur 100-1 van [bedrijf] van 16 augustus 2021, p. 508.
19.Hoge Raad, 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3140.
20.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2], G-003-01, p. 154.