Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2500

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
ak_24_3661 24_3662 24_3663
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 7:12 AwbArt. 5 lid 8 NOW-3Art. 16 lid 5 NOW-3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten NOW-3 subsidies wegens motiveringsgebrek met in stand blijvende rechtsgevolgen

Eiseres, een onderneming met onder meer een kapsalon en hondenkennel, diende aanvragen in voor de NOW-3 regeling voor de periodes oktober 2020 tot maart 2021. De minister stelde de definitieve subsidies vast, waarbij eiseres deels moest terugbetalen en deels nabetaling kreeg. Eiseres stelde beroep in tegen deze besluiten.

De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat de besluiten in strijd waren met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, omdat de minister niet had gemotiveerd waarom artikel 5, lid 8 van de NOW-3 niet van toepassing was en geen belangenafweging had gemaakt. De minister kreeg de gelegenheid dit te herstellen.

In deze einduitspraak concludeert de rechtbank dat de minister het motiveringsgebrek heeft hersteld door toe te lichten dat de bedrijfsactiviteiten niet seizoensgebonden zijn en dat de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt. Van onevenredig nadeel voor eiseres is geen sprake. De rechtbank verklaart de beroepen tegen de besluiten gegrond, vernietigt deze, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Eiseres krijgt het betaalde griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten over NOW-3 subsidies wegens motiveringsgebrek, laat de rechtsgevolgen in stand en veroordeelt de minister tot vergoeding van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 24/3661, ZWO 24/3662 en ZWO 24/3663

einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] VOF, gevestigd in [vestigingsplaats], eiseres

gemachtigde: [gemachtigde 1],
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (hierna: de minister)
gemachtigde: [gemachtigde 2]

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de toepassing van de (derde) tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3). Eiseres heeft aanvragen op grond van deze regeling ingediend voor de periodes oktober, november en december 2020 (NOW 3-3) en januari, februari en maart 2021 (NOW 3-4) en zij heeft voorschotten ontvangen. Bij de definitieve vaststelling voor de NOW 3-3 heeft de minister bepaald dat eiseres recht heeft op € 5.864,-. Dit heeft tot gevolg dat eiseres €1.171,- moet terugbetalen aan ten onrechte ontvangen voorschot. Bij de definitieve vaststelling voor de NOW 3-4 heeft de minister bepaald dat eiseres recht heeft op € 28.657,-. Dit heeft tot gevolg dat eiseres recht heeft op een nabetaling van € 3.739,-. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 29 december 2025 een tussenuitspraak [1] gedaan omdat de bestreden besluiten over de NOW 3-3 en 3-4 in strijd zijn met de artikelen 3:2, 3:4, eerste lid, en 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In deze einduitspraak komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister het gebrek heeft hersteld. Eiseres krijgt inhoudelijk geen gelijk, maar zij krijgt wel het betaalde griffierecht terug.

Procesverloop

1.1.
Voor het procesverloop van dit geschil verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 29 december 2025 (de tussenuitspraak). Omdat eiseres het eens is met het besluit over de NOW 5-7, is het beroep (met nummer 24/3663) tegen dat besluit ongegrond. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verder geoordeeld dat de bestreden besluiten over de NOW 3-3 en 3-4 in strijd zijn met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, omdat niet is gemotiveerd waarom artikel 5, achtste lid, van de NOW-3 niet moet worden toegepast en omdat een belangenafweging ontbreekt. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.2.
Eiseres heeft op 11 februari 2026 een reactie ingediend. De minister heeft op
19 februari 2026 in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft eiseres de gelegenheid geboden om binnen een termijn van vier weken haar zienswijze over het herstel kenbaar te maken. Eiseres heeft niet gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Tussenuitspraak
2. Voor een weergave van de feiten, standpunten van partijen en haar overwegingen verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak.
2.1.
In rechtsoverweging 16.14 en 16.15 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiseres geen toepassing moet worden gegeven aan artikel 5, achtste lid van de NOW-3. Dat artikellid bepaalt dat subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de referentie-omzetperiode naar rato aan de betreffende perioden worden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling.
2.2.
In rechtsoverweging 16.19 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de minister ten onrechte geen afweging heeft gemaakt tussen het belang van een juiste vaststelling van de NOW-subsidie enerzijds en de gevolgen van een lagere vaststelling voor betrokkene anderzijds.
Reactie van de minister
3. De minister heeft op 19 februari 2026 een reactie op de tussenuitspraak gegeven.
3.1.
De minister heeft te kennen gegeven dat van toepassing van artikel 5 lid 8 van Pro de NOW-3 geen sprake kan zijn, nu betreffende bedrijfsactiviteiten niet seizoensgebonden zijn.
De vorm van ondernemen [de rechtbank begrijpt: de hondenkennel] brengt het risico met zich mee dat er door het hele jaar heen (behoorlijke) fluctuaties in de omzet kunnen zitten, wat volgens de minister tot het normale bedrijfsrisico behoort. Dit nog daargelaten dat de onderneming bestaat uit zowel de kapsalon als de hondenkennel, waarbij de kapsalon sowieso niet onder het betreffende artikel viel.
3.2.
Verder heeft de minister toegelicht dat het doel van behoud van werkgelegenheid alleen kan worden bereikt indien de berekeningswijze van artikel 16, vijfde lid, van de NOW-3 consequent wordt toegepast. Daar staat tegenover dat toepassing van artikel 16, vijfde lid, van de NOW-3 voor eiseres financieel nadelige gevolgen heeft, omdat zij in dit geval een deel van het ontvangen voorschot moet terugbetalen. Er is echter volgens de minister geen aanleiding om in dit geval dit financiële nadeel als onevenredig te beoordelen. De minister heeft met een berekening toegelicht dat eiseres in staat kon worden geacht om de resterende loonkosten zelf op te brengen. Ook is niet gebleken van andere omstandigheden waaruit volgt dat het financiële nadeel van eiseres als onevenredig moet worden beoordeeld. Verder blijkt dat een terugbetalingsregeling is afgesproken van € 32,52 over 36 maanden. Tot slot is van belang dat een gedeelte van de onderneming, de kapsalon, per 1 januari 2022 is verkocht voor € 150.000,- en dat vanaf dat moment geen personeel meer in dienst van eiseres was. Afweging van de nadelige gevolgen van het besluit in verhouding tot het doel daarvan leidt de minister tot de conclusie dat het vaststellen van de subsidie op een lager bedrag en volledige terugvordering van het onverschuldigd betaalde voorschot op grond van de NOW-3 niet onevenredig is.
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld. De minister heeft toegelicht waarom in het geval van eiseres geen toepassing moet worden gegeven aan artikel 5, achtste lid, van de NOW 3, in welk artikellid wordt bepaald dat subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de referentie-omzetperiode naar rato aan de betreffende perioden worden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling. Daarnaast heeft de minister nu wel een afweging gemaakt tussen het belang van een juiste vaststelling van de NOW-subsidie enerzijds en de gevolgen van een lagere vaststelling voor betrokkene anderzijds. De rechtbank acht de door de minister gemaakte belangenafweging zorgvuldig. Van onevenredig nadeel voor eiseres is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep met nummer 24/3663 ongegrond. Omdat pas na de tussenuitspraak sprake is van een voldoende motivering van de besluiten van 29 augustus 2024 in de zaken met nummers 24/3661 en 24/3662 bestaat aanleiding om het beroep tegen die besluiten gegrond te verklaren en die besluiten te vernietigen onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven.
5.2.
Omdat de rechtbank de beroepen met nummers 24/3661 en 24/3662 gegrond verklaart, moet de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen met nummers 24/3661 en 24/3662 tegen de bestreden besluiten van 29 augustus 2024 gegrond en vernietigt die besluiten;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;
- verklaart het beroep met nummer 24/3663 tegen het besluit van 22 augustus 2024 ongegrond;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Overijssel, 29 december 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:7611