ECLI:NL:RBOVE:2026:25

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_915
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding

Deze uitspraak betreft het beroep van [eiser] tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek om informatie op basis van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank heeft eerst beoordeeld of het beroep tijdig was ingediend. De rechtbank concludeert dat [eiser] het beroep niet tijdig heeft ingediend en dat de overschrijding van de termijn niet verschoonbaar is. De zaak begon met een verzoek om informatie dat [eiser] op 30 november 2022 indiende bij de Omgevingsdienst IJsselland. Dit verzoek betrof WhatsApp-berichten die waren gedeeld in een WhatsApp-groep. De Omgevingsdienst heeft op 28 december 2022 een gedeeltelijke toewijzing van het verzoek gedaan, maar ook een deel afgewezen op basis van weigeringsgronden uit de Woo. Na een bezwaarprocedure, waarbij de (voormalig) gemachtigde van [eiser] op 3 februari 2023 bezwaar maakte, heeft de Omgevingsdienst op 11 september 2023 het bezwaar ongegrond verklaard. [eiser] heeft op 4 maart 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit, wat anderhalf jaar na het verstrijken van de beroepstermijn was. De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, omdat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overschrijding niet aan hem te wijten is. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, wat betekent dat de zaak niet inhoudelijk wordt beoordeeld. [eiser] krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/915

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

mr. [eiser], uit [woonplaats]

en

het dagelijks bestuur Omgevingsdienst IJsselland, de Omgevingsdienst

(gemachtigde: mr. B. Verrijk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het door [eiser] ingediende beroep tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo-verzoek). De rechtbank beoordeelt eerst of [eiser] het beroep tijdig heeft ingediend.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiser] het beroep niet tijdig heeft ingediend en dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verschoonbaar is. Het beroep is daarmee niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. [eiser] heeft op 30 november 2022 een verzoek om informatie op grond van de artikelen 5.5, 5.6 en 5.7 van de Woo bij de Omgevingsdienst ingediend. Het Woo-verzoek heeft betrekking op WhatsAppberichten die zijn gedeeld tussen leden van de Flex-Office in de WhatsAppgroep op 3 februari 2022 en de dagen erna als reactie op chatberichten van [eiser] tijdens een digitaal inloopmoment over de ‘Thuiswerkregeling’ van de Omgevingsdienst in die periode.
4. De Omgevingsdienst heeft bij besluit van 28 december 2022 het verzoek om informatie op grond van artikel 5.5 van de Woo gedeeltelijk toegewezen en 35 WhatsAppberichten openbaar gemaakt en gedeeltelijk afgewezen, voor zover de weigeringsgronden uit artikel 5.1. tweede lid, sub e en i van de Woo aan openbaarmaking in de weg staan. De Omgevingsdienst heeft het verzoek tot het verstrekken van informatie op grond van artikel 5.6 en 5.7 van de Woo afgewezen.
5. De (voormalig) gemachtigde van [eiser] (mr. Özcan) heeft op 3 februari 2023 pro-forma bezwaar gemaakt tegen het Woo-besluit van 28 december 2022. Op 15 maart 2023 heeft zij de bezwaargronden aangevuld.
6. Met het bestreden besluit van 11 september 2023 op het bezwaar van [eiser] heeft de Omgevingsdienst zijn bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 28 december 2022 gehandhaafd. De Omgevingsdienst heeft de beslissing op bezwaar per post en per mail naar de (voormalig) gemachtigde van [eiser] gestuurd.
7. [eiser] heeft op 4 maart 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de Omgevingsdienst.

Beoordeling door de rechtbank

9. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Is het besluit op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt?
10. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de beslissing op bezwaar ten onrechte naar zijn voormalig gemachtigde is gestuurd. Op 11 september 2023 was zijn gemachtigde namelijk al niet meer werkzaam voor hem. Dit blijkt uit de reactie van 18 september 2023 van zijn voormalig gemachtigde op de ontvangst van de beslissing op bezwaar. Het bestreden besluit van 11 september 2023 is volgens [eiser] daarom niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt, waardoor de beroepstermijn niet is gaan lopen. Ook voert [eiser] aan dat hij tijdens de bezwaarprocedure in een tweetal brieven heeft verzocht om alle correspondentie alleen aan hem te richten en dat ook hieruit volgt dat het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.
11. De rechtbank volgt [eiser] niet in dit standpunt. Zij overweegt hiertoe als volgt.
11.1.
Het bestreden besluit heeft als dagtekening 11 september 2023. Het besluit is per post en per mail op diezelfde datum naar de (voormalig) gemachtigde van [eiser] gestuurd. Deze heeft per mail van 18 september 2023 de ontvangst van het bestreden besluit ook bevestigd. In deze mail laat zij weten dat het besluit ‘in goede orde is ontvangen’ en dat zij niet meer optreedt als gemachtigde van [eiser]. Zij verzoekt daarbij om alle communicatie ‘per heden’ aan hemzelf te richten. De Omgevingsdienst heeft er gelet op deze bewoording vanuit mogen gaan dat de voormalig gemachtigde van [eiser] sinds 18 september 2023 als gemachtigde heeft onttrokken en dat het bestreden besluit van 11 september 2023 hem heeft bereikt. [1]
11.2.
De rechtbank stelt verder vast dat [eiser] in een brief van 10 mei 2023 en een brief van 11 mei 2023, gericht aan de Omgevingsdienst, heeft verzocht om “in deze zaak alleen met [hem] te corresponderen en met niemand anders”. Deze brieven zijn verstuurd en dit verzoek is echter gedaan in de context van een andere bezwaarprocedure die [eiser] in een van die brieven (van 10 mei 2023) is gestart naar aanleiding van een brief van de Omgevingsdienst van 5 mei 2023, waarin de Omgevingsdienst reageert op de wraking door [eiser] van de commissieleden van de bezwaarschriftencommissie. Op dit bezwaar heeft de Omgevingsdienst beslist met een aparte beslissing op bezwaar, die enkel aan hemzelf is gericht.
11.3.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is dus aangevangen op 12 september 2023. Het beroep is ingediend op 4 maart 2025, anderhalf jaar na het verstrijken van de beroepstermijn. Gelet op het voorgaande is de beroepstermijn ruimschoots overschreden.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
12. De termijnoverschrijding is verschoonbaar als sprake is van niet aan [eiser] toe te rekenen feiten en omstandigheden, ten gevolge waarvan hij niet binnen zes weken beroep kon instellen (artikel 6:11 van de Awb). Het ligt dus op de weg van [eiser] om aannemelijk te maken dat de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen.
13. Hiertoe voert [eiser] aan dat de Omgevingsdienst de beslissing op bezwaar na de mail van zijn voormalig gemachtigde van 18 september 2023 aan hem door had moeten sturen, omdat hieruit blijkt dat zij zich al voor 11 september 2023 als gemachtigde had onttrokken. Hij heeft na het bekend raken met de beslissing op bezwaar eind februari 2025 meteen beroep ingesteld. Ook voert hij aan dat het niet verschoonbaar achten van zijn termijnoverschrijding in strijd is met de conclusie van Advocaat-Generaal (A-G) Widdershoven van 7 september 2023 om een minder strikte koers te varen bij de beoordeling van verschoonbaarheid van overschrijding van termijnen. Hij zou onevenredig worden geraakt. De Omgevingsdienst zou zich daarnaast schuldig maken aan onbehoorlijk bestuur door de beslissing op bezwaar niet naar hem te sturen.
14. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door [eiser] aangevoerde redenen niet leiden tot een verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Zij overweegt hiertoe als volgt.
14.1.
Dat [eiser] niets wist van de beslissing op bezwaar van 11 september 2023, betekent niet dat hij er niet van had moeten weten. De omstandigheid dat [eiser] niet door zijn voormalig gemachtigde op de hoogte is gesteld van het bestreden besluit van 11 september 2023 komt voor zijn eigen rekening en risico. De Omgevingsdienst had, gelet op wat hiervoor in rechtsoverweging 11 is overwogen, ervan uit mogen gaan dat het bestreden besluit van 11 september 2023 op de juiste wijze bekend is gemaakt en dat het hem ook bereikt heeft. Gelet op de bewoording van de e-mail van zijn voormalig gemachtigde, hoefde de Omgevingsdienst ook niet nog apart [eiser] op de hoogte te brengen van de genomen beslissing op bezwaar, omdat uit de mail blijkt dat de beslissing in goede orde was ontvangen.
14.2.
Het beroep van [eiser] op de conclusie van A-G Widdershoven waarin – in grote lijnen – wordt geconcludeerd tot een soepelere omgang met overschreden termijnen, slaagt evenmin. In de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024 [2] , die volgde op de door [eiser] genoemde conclusie van A-G Widdershoven, stelt het CBb dat bestuursorganen en bestuursrechters bij de beoordeling van verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening houden met bijzondere omstandigheden die de indiener zelf betreffen (een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering). Hiervan is in dit geval echter geen sprake. Er doen zich geen bijzondere omstandigheden (noch persoonlijke omstandigheden zoals psychisch onvermogen, ziekte, noch externe omstandigheden die overbelasting of stress veroorzaken) voor die maken dat het onredelijk of onevenredig zou zijn om de termijnoverschrijding niet verschoonbaar te achten.
14.3.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank verder geen grond om aan te nemen dat de Omgevingsdienst zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur waardoor de termijnoverschrijding [eiser] niet aan te rekenen is.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5700, r.o. 2.4.2.
2.Zie de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.